Zaterdagavond zaten we met Amicale, de vriendschapsvereniging van Nederlanders en Burkinabé, bij elkaar. Na een halfuur begon het flink te waaien en een hoosbui barstte los. Alles kwam onder water. De toch al niet al te snelle bediening verslofte nog meer.

Eigenlijk loopt het regseizoen op zijn einde, maar om de paar dagen regent het flink, hier in Ouaga. Men verwacht dan ook een goede oogst van het basisvoedsel: gierst en sorghum. Op mijn trip afgelopen week naar het westen was dat al goed te zien. De pluimen van de sorghum piekten 2,5 meter hoog de lucht in en sommige begonnen door hun gewicht al te hangen, een teken van rijpheid. In het noorden was het droog als altijd en zag je nog geen aren.

Onderweg in het westen zagen we overal plassen met badende en spelende kinderen. We volgden de al uitgezette etappe van Dédougou naar Tougan met de auto. Waar die van de hoofdweg afboog, naar Ye, bleek de hele weg onder water te staan. We volgden dus de hoofdweg verder. Over een maand zal deze zijweg echter prima berijdbaar zijn.

Toen ik in Tougan opstond, regende het. Pech, want ik zou hier de fietstocht moeten uitzetten. Ik wilde niet de grote weg maar kleine paadjes nemen, die door de dorpjes slingeren. Dat was mij aldus verteld door de organisatie van Dwars door Burkina. Maar ze wezen ons de grote weg en zelfs die was erg modderig. Na 12 km vroegen we een dorpsoudste de kleinere weg. Die bleek heel ergens anders te liggen. Terug en afwachten of die berijdbaar was.

We vroegen onderweg steeds aan passanten of we goed zaten en of de auto er langs kon (de fiets duw of draag je overal doorheen). Dat leverde veel tegengestelde meningen op. De communicatie was toch al niet gemakkelijk omdat de chauffeur Moré spreekt en de bewoners Samo. Tot mijn grote vreugde bleek de hele alternatieve route begaanbaar, ook door de bas fonds, de lage stukken waar het water normaal blijft staan. Het had hier al 17 dagen niet geregend. Omdat het vrijwel overal één enkel spoor was, had de chauffeur meer moeite met het traject dan ik. Afgezien van de 24 dubbele kilometers, had ik 50 km gefietst. Dat is 15 km meer dan over de hoofdweg, dus ik besloot de rest met de auto over die weg te doen, 125 km in totaal.

In Dédougou, Tougan en Yako moet ik voor de tocht in oktober de slaapplaatsen van de 30 fietsers regelen. De capaciteit van de hotelletjes is gering, evenals trouwens de kwaliteit. Het mag ook niet teveel kosten. Bijna alle kamers hebben een dubbel bed (hier bed voor man en vrouw genoemd; andere liefdesrelaties zijn blijkbaar onbekend) en niet twee enkele bedden. De meeste deelnemers zijn echter alleenstaand, dus dat is moeilijk. Dus ik onderhandel over het kopen en neerleggen van extra matrassen of met meerdere hotelletjes tegelijk. Allemaal met de bijbehorende nadelen natuurlijk (privacy: hier niet uit te leggen, en extra vervoer tussen de hotelletjes).

Terug in Ouga stopten we even bij ODE, een partner van ICCO. Ik dommelde een beetje in de auto. “He, die man daar, die ken ik! Die is van de co-responsibility” Pasteur Bazier, de directeur, wees op mij en kwam hollend naar de auto. In 2007 of zo heb ik hier een conferentie voor West-Afrika georganiseerd over het decentralisatieproces van ICCO. Ik heb toen met hem de logistiek geregeld.

Advertisements