Voor Monique en mij waren de afgelopen dagen motorhelmdagen. Zij was in het noorden per motor op partnerbezoek. Ik heb ik de route van Tougan naar Yako verfijnd. Ik ben er nu drie volle dagen mee bezig geweest. Koen, van de Belgische fietsorganisatie, wil er per se geen ‘grote baan’ in, dus ga ik maar weer eens – op de motor dit keer – de kleine paden op en de kleine lanen in.

De meeste paadjes lopen stervormig van en naar dorpen. Het lijkt of iedere hut zijn eigen weggetje naar het volgende dorp heeft. Dat maakt het moeilijk om van dorp naar dorp de weg te vinden. Er moeten onderweg vaak keuzes gemaakt worden bij tweesprongen. Als er iemand in de buurt is, vragen we het. De antwoorden zijn niet altijd even eenduidig, ook omdat menigeen flink onder de invloed van dolo is (van sorghum gebrouwen bier dat er als afwaswater uitziet). Het wordt ons ook af en toe aangeboden.

Bovendien, als we de weg vragen, worden we meestal naar de hoofdwegen (lees: dubbelspoor paden) gestuurd, maar we willen juist enkelspoor. En dat laatste eindigt vaak midden in een sorghumveld, onder een boom met een krukje en wat manden. Omdraaien en weer door de tegen ons aan zwiepende sorghumhalmen terug.

Ik zit achterop bij Aristide, van partnerorganisatie AMR. Door de vele kuilen krijg ik pijn aan mijn kont. Ik kan me ook niet goed vasthouden omdat ik de GPS in een hand heb. In de eerste versie van dit traject bogen we naar het zuiden af omdat we een moeras niet over konden steken. Nu nemen we de noordelijke doorgang, en die is droog. Je kunt goed zien dat hier een rivier gestroomd heeft, maar nu is er nergens water, modder, of drijfzand te bekennen.

In Goron heeft Aristide een tante wonen, althans dat denkt hij want hij heeft haar nooit ontmoet. Tante Colette komt na enig navragen aanlopen vanaf haar akkertjes. Alsof ze elkaar wekelijks zagen, zo leek het gesprek (in het Moré) te gaan. Ze vertelde mij dat de sorghumoogst gered was door een drietal buien die onlangs nog gevallen waren. Voor mij ziet het er overal droog uit, gelukkig voor het verdere uitzetten van de route.

In Bangasse was het markt en Aristide ging inkopen doen. Ik wachtte vlakbij een flinke geluidsbox met soukousmuziek. Aan de bomen en op de gebouwen hingen affiches hoe je ebola moet voorkomen. Na een tijdje komt een graatmagere vrouw naar me toe, het bovenlijf ontbloot. Ze kijkt me als een zombie aan en murmelt wat. Ik schudt maar nee, voor de zekerheid. Ze loopt weg, onderwijl steeds bukkend om iets van de grond te rapen, in haar mond te stoppen en daarna uit te spugen. Pruimen op tabak uit weggegooide peuken? Sabbelen op uitgespuugde meloenpitten?

’s Avonds werk ik de routes uit (veel werk), eet ik bij Aristide en kijk er journaal of zoals gisteravond voetbal (Burkina – Gabon: een teleurstellende 1-1).

Advertisements