De logistieke voorbereiding van de sponsortocht voor Broederlijk Delen, Dwars door Burkina, is vrijwel rond. De hotels zijn gereserveerd (dat zegt lang niet alles, maar toch). De bus, vrachtauto en Landcruisers zijn gehuurd. Ik heb nieuwe stukken route uitgezet en andere gecheckt op obstakels (die waren er: ondergelopen wegen, zie Regen) en of ze intussen niet geasfalteerd waren (bij eentje inderdaad het geval, tot grote frustratie van de Belgische organisator). Het fietsavontuur kan beginnen. Vanavond komt Jan al hier naartoe, en morgen arriveren de 27 andere fietsers. Die avond zijn we bij de ambassadeur uitgenodigd en zaterdag vertrekken we.

Het voorbereiden verliep lekker Afrikaans. Bij het reserveren bijvoorbeeld kijken de receptionisten slaperig op en antwoorden ‘geen probleem’. Ik denk dan dat ze wat op gaan schrijven, maar nee. De laatste dagen moesten in het zuidwesten nog wat routes geverifieerd worden en tegelijkertijd wilde ik de hotels bevestigd hebben. Bij de meeste bleek het inderdaad geen probleem geweest, maar bij twee echter wel. Die wisten van niks. Afijn, in Afrika is altijd wel wat te regelen, zoals ook nu.

Omdat we de route gewijzigd hadden, moest ik ook hotels afzeggen. Ik vond dat gênant. Maar de receptionisten niet. Ook hier volstonden ze met ‘geen probleem’. Ergens anders kon ik het voorschot niet betalen: ‘geen probleem’.

Monique’s auto heeft wel veel problemen helaas. Zij is – naar eigen zeggen – intussen de grootste werkgever van de garages in de wijk. Als we aankomen, hangen de apprenti’s (de gezellen) te slapen over een autodeur of op de motorkap.

Waarom liggen die receptionisten en ook de garagisten gebogen op hun instrumentarium (toetsenbord, autokap) te slapen als ik langs kom? De warmte? Het gebrek aan eten? Ik ben de enige die langskomt?

In 1978 en 1985 bezocht ik Burkina al eens. De wegen waren stoffig en er waren weinig auto’s en brommers. Iedereen fietste. Het was na Nederland en China, het derde fietsland ter wereld. Sindsdien heb ik het land vele malen bezocht en, en het aantal gemotoriseerde voertuigen, vooral brommers, is ontzettend toegenomen. In Ouga is het zelfs en plaag te noemen. Kriskras naast, voor en achter de auto’s duiken ze op. Auto’s, maar vooral voetgangers en fietsers kunnen hen nauwelijks ontwijken.

Dat een blanke, die immers het geld heeft om minimaal een brommer te kopen, op de fiets stapt en zonder doel of bagage gewoon weer terugkeert op zijn vertrekpunt, is niet te bevatten voor de Burkinabé. “Dus je werkt je in het zweet en koopt of verkoopt onderweg niets?!” Het is ook moeilijk uit te leggen.

Ze snappen evenmin dat ik in Ouaga al fietsend inkopen doe of zaken regel voor de grote conferentie van Broederlijk Delen. Bij een hotel waar ik vaak de reservering moet aanpassen, staan ze al met een doekje klaar als ik kom.

Advertisements