Ik ben deze week in het noorden en brousse geweest om de enquêtes te begeleiden, die moeten leiden tot een precieze situatieschets van wat de partnerorganisaties van Broederlijk Delen bereikt hebben tot nu toe.

’s Ochtends om 7 u nemen we koffie en een broodje vlees in een lokale lunchroom langs de weg. Dat kost 200 CFA = 0,30 €. Tussen de middag maken de organisaties wat klaar, meestal kip met rijst. En ’s avonds eten we uit, voor zo’n 1000 CFA = 1,50 €, inclusief bier. Bij een restaurantje kwam een oude fou (dorpsgek) aan ons tafeltje. Hij had een versleten uniform aan en begon plechtig het volkslied te zingen. Een ancien combattant (oud-strijder) met PTSS?

We rijden door een stoffig landschap. Bij de dorpen remmen we af voor de verkeersdrempels, zandheuveltjes die hier dos d’âne (ezelsrug) of gendarme couché (slapende politieagent) heten. Langs de pistes zie ik toch meer bomen dan ik me van lang geleden (1985, toen Diny en ik in het niemandsland hier vlakbij vastzaten tijdens de 5-daagse kerstoorlog tussen Mali en Burkina). De mooiste boom is de grillige baobab, apenbroodboom, die ‘God omgekeerd in de aarde geplant heeft’.

Bij zonsondergang schijnt er een mooi gelig licht op de bomen en hutten. De schapen en koeien hebben lange poten en korte lijven als schaduw. De boomstronken glinsteren in de plassen uit de regentijd.

Op mijn hotelkamer in de enige stad, Ouahigouya, deed de kraan het niet. Ik draaide maar eens de andere kant op (ook de sloten zitten immers vaak omgekeerd) en ineens deed hij het wel … te goed: ik had de knop in mijn hand en het water spoot tot aan het plafond. Snel riep ik de eigenaar en die sloot de hoofdkraan af. Na het eten bleek ik een andere kamer te hebben gekregen.

Dat blanken het ook niet altijd goed doen, tonen de twee volgende verhalen aan. Een onderzoeker komt tot de volgende conclusie: ‘voordat Burkinabé een fles openen, wordt die eerst gezegend’. Maar zelfs ik weet dat Burkinabé altijd eerst voelen hoe koud het bier of de frisdrank is, voor ze het opdrinken.

Dorpelingen zijn op bezoek bij een ontwikkelingsorganisatie. Na het gesprek ‘vragen ze de weg’, dat is namelijk de manier hier om te zeggen dat je terugkeert naar huis. De ontwikkelingswerker wordt kwaad: “Wat?! We hebben al een waterput, een kliniek en een school aangelegd en nu durven jullie ook nog om een weg te vragen?!”

Advertisements