We reden met zijn vieren naar Koumbri in het noorden. Monique organiseerde daar de veldbezoeken, die rondom de internationale conferentie van Broederlijk Delen plaats gaan vinden. Ik leidde de gegevensverwerking voor de baseline study in. De rest van de dag bleef ik bij de twee equipes die de resultaten van de enquête in de laptop invoerden.

Af en toe moest zelf gerekend worden, en dat vlotte niet zo. Zelfs met de rekenmachine had men er moeite mee. Het gaat er ook wel wat onwetenschappelijk aan toe. “Wat? Heeft A gezegd dat ie geen krediet gehad heeft? Dat is gelogen.” “Dat is A niet, dat is B”. “Nee, dat kan niet want B heeft geen 16 koeien maar 17”. En dit alles bij geanonimiseerde formulieren. Maar uiteindelijk lukte het allemaal en bovendien moeten ze het natuurlijk in de toekomst ook zelfstandig kunnen doen.

De chauffeur sliep intussen zwaar snurkend op een matje, en de jongens gingen het dorp onveilig maken. Enige pilsjes en voetbalspelletjes met de jeugd later, zagen we hen weer. ’s Avonds in de bar werd het drinken voortgezet, nu met ons erbij. Buiten kwamen grote vrachtwagens af en aan rijden. Ze gaan naar Mali en hebben tientallen koeien en mensen achterop. Aan de zijkant hangen honderden kippen.

Het eerste – liggende – schijfje maan komt op. Er klinken knallen (carbid, hoor ik later). Iedereen zegt ‘bonne année’ tegen elkaar. Voor de moslims is met de nieuwe maanmaand het nieuwe jaar begonnen. We gaan terug en besluiten buiten te gaan slapen. Het is koud. Om 5.30 gaan we naar binnen omdat het dorpsleven al begonnen is. Vrouwen met water en brandhout lopen langs en maken heet water voor ons ontbijt.

Ik begin de kwantiteit van het dorpsleven via de enquêtes goed door te krijgen. Men overleeft de periode voor de oogst (de natte tijd of die van ‘eindjes aan elkaar knopen’) door wat geld te sparen of dieren te verkopen. Sommigen hebben genoeg graan in de greniers, de graanschuurtjes, om het hele jaar te kunnen eten. De schuurtjes staan hoog op stenen om de ratten en termieten buiten te houden. De Peulottes – de vrouwen van de Peul – verbouwen zelf geen graan en hebben (daarom?) minder te vertellen in huis. Waar de anderen vaak 2-5 vrouwen hebben, zijn de Peul hier monogaam en hebben weinig kinderen: zo’n 4-7. De andere hebben er 10-25.

Later in de avond vind ik mijn weg in het donker naar het enige barretje. Jongeren maken lawaai en bestellen lokale rum en goedkope wijn in afgemeten porties van 50 cfa (0,07 €). Af en toe is er ruzie met de barman omdat ze geen geld meer hebben. Ze bedelen bij mij om een rondje. Ik palaver wat voor de gezelligheid en bied het tiental een rondje aan. Het is goedkoper dan mijn eigen fles bier (1 €). Na even in het donker verdwaald te zijn, kom ik weer thuis en zie dat we binnen slapen. Gelukkig, want zelfs binnen en met slaapzak was het koud in de vroege ochtend.

De kwaliteit van het leven krijg ik vandaag beter in de smiezen. Omdat het invoeren van de gegevens in het tweede dorp, Ninigui, vlekkeloos verloopt, kan ik mee om het veldbezoek voor te bereiden. Eerst komen we bij uitgestrekte velden met ui en aardappel. Via een vernuftig irrigatiesysteem (dat aan dat van de oude Egyptenaren doet denken) worden ze geïrrigeerd. Het water komt uit een stuwmeertje. De mannen en vrouwen maken met de handen openingen in de kleine kleien dijkjes of stoppen ze juist dicht. Zo krijgt ieder plantje genoeg water.

Daarna bekijken we anti-erosie maatregelen van de lokale organisatie UGNN. Op de gierstvelden – nu kaal – liggen lange rijen stenen om het regenwater zo lang mogelijk op het veld te houden. In de droge rivieren wordt de stroming gedempt door walletjes en halfdoorlaatbare dijkjes. Ook op deze manier gaat minder water verloren. Op de kale heuvels vol keien worden boompjes aangeplant. De wortels houden het water en de grond vast. De bast is geelgroen omdat er korstmossen op groeien. De takken zitten vol stekels, die de geiten weg moeten houden. Dat lukt niet erg, zie ik.

Advertisements