We zijn met zijn vieren naar het zuidwesten gegaan, de toeristische streek van Burkina. Eerst met de bus naar Bobo Dioulasso, het meest swingende stadje van West-Afrika. De bus was traag en stopte overal waar verkopertjes waren. Bij het geduw en getrek tussen verkoper en koper, viel een raam eruit. Later ging de deur niet meer dicht. De tijd werd gedood door een creatieve verkoper in de bus. Hij verkocht allerlei smeersels (oa tijgerbalsem en tandpasta) tegen allerlei kwaaltjes, mn op seksueel vlak. Hij was erg komisch en veel mensen trapten er in.

Langs de weg weer die gele bomen, net of ze – ook midden op de dag – in de ondergaande zon staan. Als je over de stam krabt, blijft de gele korstmos onder je nagels achter en wordt de boom groenbruin.

In het ‘Nederlands’ hotelletje in Bobo waren veel bekenden op bezoek, Nederlanders die we uit Ouaga kennen. ’s Avonds gingen we het stadje in en zagen Sada en de Star Band optreden. Het swingde behoorlijk en de band werd allengs onzichtbaar omdat iedereen voor het podium danste.

De volgende dag vertrokken we met een gehuurde auto naar Banfora. Eerst gingen we nog in Bobo naar de oude stad met zijn moskee en traditionele werkplaatsjes. Christophe nam ergens snel een djembé lesje en ik mocht de pauze mee opvullen. In de middag wandelden we tussen de domes de Fabedougou, 1,8 miljard jaar oude kegelvormige rotsformaties, dus nog vóór er meercellig leven op aarde was. Uniek en verder alleen in Australië te bewonderen. Daarna daalden we de steile route af, die de fietsers van Dwars door Burkina ook genomen hadden (zie Fietsen). Mooie uitzichten op de waterval. In een dorpje onderweg naar het hotel namen we wat palmwijn, in een kalebas die rondging, net genoeg gefermenteerd om in een gelukzalige roes te komen.

De derde dag reden we naar het Lac de Tenguela. Hier gingen we met een bootje nijlpaarden spotten. De bootsmannen klopten op hun prauw om de dieren te lokken, maar vergeefs. Het was voor de rest wel lekker op het water en we zagen veel vogels.

Daarna door naar Sindou. We liepen wat rond bij de Pics de Sindou, een scherp gekartelde zaagachtige rotsformatie. Over een slechte weg bereikten we na 37 km en 2 u rijden Niansogoni. Ik had ooit van een Frans stel gehoord dat daar de Burkinese Dogonvallei lag, nog niet door het toerisme aangetast. Ik had al een paar keer op de fiets ernaar toe willen gaan, maar de tijd ontbrak steeds.

We kwamen op het kampement aan. Voor ons lag een gebergte waar veel rook vandaan kwam, geen vulkaan maar een bosbrand. Toch gingen we de berg op. Af en toe moesten we tussen de vlammen door lopen. De roofvogels vlogen boven het brandende gras om de vluchtende insecten uit de rook te plukken. De droge struiken brandden fel en de voet van sommige bomen ook.

Maar het bleek zeer de moeite waard. Eerst kwamen we bij richels waar nog steeds stapels rotsblokken lagen. Die werden vroeger naar beneden gegooid als de vijand kwam. Even verderop vervallen hutten waar tot 1980 nog de Wara Sama (‘wilde beesten’) stam woonden. Nu wonen ze beneden, ‘dankzij de katholieken’ volgens de gids die van hen afstamt.

Verder klommen we, door een landschap als in de Ban van de Ring. We kwamen onder een hoge overhellende rotswand. Op een richel, in de schaduw van de wand, stonden fallusvormige graanschuurtjes. Erachter lagen grotten met versleten huisraad. Beneden ons de silhouetten van bomen in de rookflarden. Onze queeste was geslaagd: het was spectaculair en inderdaad precies de Dogonvallei.

’s Ochtends komt het jongetje van het kampement bij ons zitten. Wij willen gewoon ontbijten en in afwachting daarvan rustig wat lezen. Christophe en Djibi – zoals altijd, want erg laat naar bed – slapen uit. “Is het ontbijt nog niet klaar?” vragen we na een tijdje. “Nee, ik wacht op de jongens”.

We wilden via de ‘fruitmand’ Orodara naar Bobo, en onderweg La Guinguette – een beschermd bos – aandoen. Maar chauffeur Yve reed net zo langzaam over de piste als ikzelf op mijn fiets een jaar geleden, en dus vroegen we hem meteen de grote weg naar Bobo te nemen. Daar kochten we fruit op de grote markt. De wandeling in het bos daarna viel wat tegen. Via een hangbrug over de Kou kwamen we bij een aantal grote woudreuzen. Op de takken eekhoorns die zaden naar beneden gooiden en neushoornvogels en toerako’s.

De bus terug was nieuw, snel en… half leeg.

Advertisements