Ook de andere conferentieonderdelen naderen hun einde. Iedereen is moe, en er is dus wat uitval bij activiteiten. Bovendien heerst er de griep. De logistieke perikelen zijn ook nog niet ten einde. Zo zijn er de sleutels die mee met de terugvlucht verdwijnen. De benzine in de bus die plotseling ‘verdampt’ is. De chauffeur die kwijt en onbereikbaar per mobiel is. Het hotel dat geen kamers heeft. De chauffeur die zelf besluit het groepje in een ander hotel te huisvesten (‘beter’ zegt hij, maar veel waarschijnlijker: ‘hier krijg ik commissie’). De deelnemer die op eigen gelegenheid de stad verkent en verdwaalt. De rekeningen die niet kloppen.

Bij het betalen in Eau Vive zie ik een soort bruiloft in hun tuin. Onder een opgebouwd afdak bidt een kring mensen in mooie kleding. Ik denk rond het bruidspaar. Maar men legt mij uit dat hier de pelgrimswandelstok van de Heilige Theresia van Avalia ligt. Een relikwie dat de wereld rondgaat en vandaag in Ouaga aanbeden wordt.

Vanochtend zag ik geblindeerde wagens en vele bewapende militairen onderweg. De dag dat de fietsers aankwamen voor Dwars door Burkina, braken er onlusten los in Ouaga. Die namen en hevigheid toe en leidden tot de val van de president. Om die reden werd de internationale conferentie van Broederlijk Delen uitgesteld tot de rust – naar alle waarschijnlijkheid – weergekeerd was. Gisteren – op de laatste dag van de conferentie – brak weer een oproer uit.

De burgerbeweging Balai Citoyen (‘burgerbezem’) demonstreert tegen de Presidentiele Garde. Die heeft gisteren een bijeenkomst van de overgangsregering, aangevoerd door Zida de ex-tweede man van de Garde, verhinderd. Ook eiste de Garde zijn aftreden. Een aanslag op de jonge democratie, volgens de manifesterende jongeren. Eerst waren ze tegen kolonel Zida (‘er horen geen militairen in de regering’) maar nu verdedigen ze hem om de fragiele overgangsperiode te bestendigen.

Op de vrije dag deden we aan ramptoerisme. We bezochten het huis van de broer van Blaise Compaore: François. Het was geheel gestroopt tijdens de grote manifestaties in oktober. Er lagen alleen nog wat kapotgeslagen spiegels en marmeren tegels, en stukjes van een legpuzzel. Deze furie heeft zich binnen 24 uur afgespeeld, gedreven door boosheid en armoe. We zagen de plek in de kelder waar hij voodoo gedaan zou hebben en waar vele schedels gevonden zijn (zie blog: Finish). Het ‘bloed’ zat nog op de muur.

Ik liep wat over het terrein op de laatste dag van de denkdagen. Op een steiger boven het meertje keek ik naar de vissen. Ineens zag ik een lange vis, van meer dan een meter. Het was een slang. Vlak onder mij kronkelde hij zich omhoog in een takje. Zijn kop zat op minder dan een meter van me vandaan. Er kwam een groepje kinderen aanlopen. “Kijk, een slang” zei ik. Meteen stoven ze uit elkaar en kwamen met stenen en takken terug. Ik weerhield hen. De slang bedankte me en kwam wat dichter bij. Daarna liet hij zich sloom in het water zakken en zwom weg.

Monique wenkte me van verre vanuit de conferentieruimte en ik hoorde applaus. Het bleek voor mij; ik liep door een haag deelnemers en kreeg een kaartje op mijn voorhoofd geplakt met ‘nominatie voor de Nobelprijs voor logistiek dit jaar’. Een mooie afsluiting toch.

Advertisements