De eerste 5 minuten van het vliegveld naar Kinshasa keek ik al mijn ogen uit. Wat een chaos. “Kijk die jongens achter die vrouwen lopen, zometeen worden die beroofd” zei de taximan. Toen kwamen er zwaailichten ons tegemoet op onze baan. Die stopten voor ons en er sprongen zwaar bewapende militairen uit. Eén sloeg op de auto. De chauffeur bleef rustig en ging naar de andere baan. “Waarschijnlijk een minister die te laat is voor het vliegveld” zei hij laconiek.

 

De derde dag fietste ik een wat ruimer rondje om het huis. De infrastructuur en de voorzieningen van de stad lijken op die van een gemiddeld Burkinees plattelandsstadje. Maar Kin la Belle (Kinshasa, de schoonheid) ook wel Kin la Poubelle (de vuilnisbak) genoemd heeft een geschatte 12 miljoen inwoners. Het is daarmee, na Lagos en Cairo, de derde stad van Afrika.

 

Kin is rauw, hard, druk, luidruchtig, agressief, schreeuwerig; heel anders dan je je voorstelt bij de liedjes van Franco en Zaiko. Het is broeierig, vuil, modderig. Ik heb al een aantal mannen op straat zien liggen: dronken, neergeslagen, dood? Het lijkt op Monrovia; die voortdurende strijd om het naakte bestaan. Niet verrassenderwijs kennen beide landen dan ook veel geweld.

 

De wegen waren extreem druk. Op de tweebaansweg drukken 4 rijen auto’s elkaar aan de kant. Je kunt je voorstellen wat dat voor eventuele fietsers betekent (ik heb geen andere gezien trouwens). Bij het eerste contact ermee verloor ik al een belangrijk stukje van mijn fiets: de bel. Een taxi-jongetje was zo aardig het tussen de langzaam rijdende autowielen vandaan te halen.

 

Op een kruispunt iets verder was een politieagente zo aardig de autostroom voor me tegen te houden. Verderop deed een robot hetzelfde. Er zijn ook verkeerslichten (met secondenaanwijzing) maar ik heb nog niet ontdekt bij welke kleur je eigenlijk moet stoppen. Zo te zien geen enkele. Hoewel de meeste auto’s het stuur rechts hebben, ben ik er wel achter dat je hier officieel rechts rijdt.

 

Ik loop daarna wat rond om de lokale winkeltjes en producten te leren kennen. De winkeltjes hebben allemaal hetzelfde: zeep, waspoeder, tandpasta, sardientjes in blik en beltegoedkaartjes. Aan verse waar wat verlepte tomaten, komkommertjes, pepertjes, uien, bak- en gewone banaan, maniokbladeren en -pasta in bananenbladeren gerold. Ik probeer wat oerwoudvruchten (ik heb de namen niet onthouden). Je eet ze alsof je op een zuurtje zuigt.

 

Om de paar winkeltjes is er een kapsalon, restaurant, apotheek en bar; die laatste twee vaak gecombineerd. Overdag pillen tegen de misère, en als het donker wordt de alcohol ertegen. De bars hebben steeds een mooie jongedame buiten zitten … wachten … om ook andermans misère te verlichten? In een aantal donkere kamers kun je voor 0,50 € voetbalwedstrijden op de tv bekijken.

 

Op zondag maakte ik een fietstochtje naar de Congo. Iedereen was op straat. Mannen in nette pakken, vrouwen in uniforme gewaden, kinderen in volwassen pakjes. Het was duidelijk: op zondag wordt naar de kerk gegaan. Behalve pillen en drank hebben de Congolezen dus ook God ter verlichting van de misère.

 

Ik fietste een heuveltje op. Het was afgezet door militairen maar als je naar het Nationaal Museum wilde, mocht je door. Op de heuvel staat het (een) presidentieel paleis. Vanaf de heuvel kon je mooi de tweelingsteden aan weerszijden van de de Congo zien liggen: Brazaville en Kinshasa. Dit stuk Congorivier scheidde toentertijd Frans en Belgisch Congo.

 

Iets verder ging ik in een barretje aan de rivier zitten. Beneden had je de stroomversnellingen die ervoor zorgen dat boten stroomafwaarts niet verder naar de oceaan kunnen. Het plateau waarop het Congobekken ligt, gaat vanaf hier steil omlaag tot het bij de havenstad Matadi op zeeniveau komt. Her en der dreven eilandjes met mooie paarse bloemen. Het is de waterhyacint die in Afrika meren en rivieren verstopt en verstikt. Hun enige nut is dat ze een goede uitkijkpost voor de reigers bieden.

Advertisements