Inongo ligt ruim 400 km ten noordoosten van Kinshasa aan een meer. Het meer is groot, je kunt de overkant niet zien. Mai Ndombe (zwart water) is het grootste binnenlandse meer van Congo. Het water is inderdaad donkerbruin van het slib. Via de Kasai-rivier watert het in de Congo af. Vandaag was het rustig, maar het kan er aardig spoken.

Ik had een motor met chauffeur gehuurd om toekomstige fietstochtjes uit te zetten. Delsi en ik deden eerst een city tour. Inongo heeft een groot oppervlak. Het bestaat uit vele wijken. We zagen die van de Batwa. Die heet Luatekaka (‘zij die zich niet wassen’). En even verder Likwangola (‘zij die een machete dragen’): het oude militaire kamp.

We reden de enige weg op die de brousse in gaat. Om de kilometer ligt een dorpje. Ze heten allemaal naar de afstand tot Inongo: 12 km, 13 km, etc. Afwisselend zijn het Bantoe- en Batwa-gemeenschappen. De eerste herkenbaar aan hun lemen hutten, af en toe mooi met wiskundige motieven beschilderd. De laatste (ook pygmeeën genoemd, maar dat heeft een negatieve connotatie) herkenbaar aan de rommelige hutten van palmblad. Bij 20 km draaiden we om, zodat er een mooie potentiële fietstocht uitgezet was.

De weg is eigenlijk een smal pad vol plassen en modderpoelen. Auto’s kunnen er niet komen. Soms moet je over een gammel bruggetje. Toch is het druk. Vrouwen die in een draagmand maniok, brandhout, verse vis of bananen vervoeren. De draagbanden worden om de schouder gedragen, zoals bij een rugzak, en niet om het voorhoofd zoals in Rwanda. Takkenbossen dragen ze op het hoofd. De mannen, vaak lopend langs een fiets, vervoeren bidons palmolie, palmwijn of benzine, of langwerpige visfuiken. Ook lopen er groepjes leerlingen van en naar school.

Langs de weg zitten mannen onder de boom te palaveren. Meisjes (niet veel ouder dan 15 jaar) zogen baby’s. In de stalletjes verkopen ze lokale zeep, gedroogde vis, palmolie en – wijn. Ik proef ervan, het is heel zacht nog en niet gefermenteerd (dus alcoholvrij). We kijken naar een palmpitpers. Een jongen loopt als een paard rondjes met een lange hendel die verbonden is met de schroefpers. Die draait in een bak met hete palmpitprut. De olie sijpelt er beneden uit. De varkens scharrelen in de berg afval.

De prijzen in de stalletjes langs de weg zijn belachelijk laag. Flesje palmwijn 0,15 €, liter palmolie 0,50 €, banaan 0,03 €, visfuik van 1 m 0,50 $. En dan moet je de prijzen in Kinshasa zien! Bijna alle winst gaat dus naar de vervoerders en handelaren.

Het regenwoud staat vol water. Hier wordt met de fuiken gevist. Het woud wordt afgewisseld met savanne. Van het grasland wordt geen gebruik gemaakt voor veeteelt. Delsi wist niet waarom niet. De tseetseevlieg wellicht?

Onderweg roepen de kinderen mundele (blanke) naar me. Mu is mens, en ndele is palmblad. Blanken zijn dus mensen met palmbladbekleding (dit itt de toenmalige naakte Congolezen). Intussen leer ik in het Lingala groeten: mbote (goede dag), boni (hoe gaat het?), sangote (het gaat goed), matondo (dank je) en botikala (tot ziens).

Onderweg stopten we in een dorp vol mangobomen. Het heet Roppe Mangue. Roppe komt van Europa en geeft aan dat er veel van iets is, in dit geval dus van mango’s. Terug in Inongo gaan we nog naar het Hotel du Lac, zeker 200 kamers groot … maar slechts een betonnen staketsel. In de Mobutu-tijd begonnen maar meteen na zijn tijd beëindigd. Een aantal boten in het haventje hadden hetzelfde lot ondergaan. “In Mobutu’s tijd was alles veel beter” zuchtte Delsi.

Terug in ons eigen hotel laat de buurman zijn koopwaar voor Kinshasa zien. Een alligator met vastgebonden bek en poten, en een stokje tussen de tanden. Verder een tiental schildpadden die via een gaatje in hun schild met een touwtje aan elkaar verbonden zijn. Het verhaal gaat dat toen bij een eerdere reis een alligator ontsnapt was, de mensen allemaal naar één kant van het vliegtuigje renden, en dat dat om die reden neerstortte. Broodje alligator of echt gebeurd?

Advertisements