Omdat het vanochtend droog was, ben ik maar door de stad gaan fietsen. Ik wilde toch nog een aantal dingen zien en zondagochtend is het het rustigst. Behalve dan in de huizen, loodsen en open plaatsen waar kerkdiensten gehouden worden. De een schreeuwde nog harder dan de ander. De een had pittige live muziek en de ander deed het plechtig en ingetogen. Waar ik na een kwartier al onder de moddervlekken zat, liepen de kerkgangers er smetteloos bij.

Bij een fruitstalletje maakte een net geklede man ruzie met de omstanders. Niemand ging er op in. Na een tijd kreeg ik door dat het een evangelist was die hel en verdoemenis preekte. Congo is een met godsdienst doordrenkt land, overal zie je kerkjes en affiches met aankondigingen van predikers. Eigenlijk logisch, als je niets anders heb om je aan vast te klampen; geen staat, geen zorg, geen opvang, geen opleiding, geen werk.

Omdat het zoveel geregend heeft, waren de wegen in plassen of in modderpoelen veranderd. Soms moest je 20 m door het water. Het is niet altijd te zien wat er onder het wateroppervlak zit, dat kan bv ook een put of goot zijn, en dan word je wel erg nat. Ik volgde de auto’s maar.

Onderweg de gebruikelijke straatvegers en mn –veegsters. Zij vegen het zand dat met de buien in beweging gekomen is, van de weg. De jongens met torenhoge eierdozen op hun hoofd gestapeld, zigzaggen over de droge stukjes straat. Een oude theeverkoper met de thermosfles op zijn rug en een slang met een kraantje voor zich, zoekt naar klanten. Albino’s zie je meestal in groepjes lopen.

Ik fietste richting de Congo. Links vervallen industriële gebouwen, allemaal verlaten. Ervoor werd wat handel gedreven. Rechts de genummerde straatjes (zoals in nieuwbouwwijk Dukenburg in Nijmegen) van Limete. Hier woonden vroeger de évolués, zij die met mes en vork konden eten en bedden konden opdekken, en daarom naar de blanke winkels en uiteindelijk naar de Belgische banen mochten.

”Rijbewijs!” Ik had hier al van gehoord dus ik begon te lachen: “Hier heb je geen rijbewijs voor een fiets nodig, dat weet ik, net zomin trouwens als in andere landen”. “Heb je een aankoopbewijs van de fiets?” ”Ja” (namelijk al in Burkina bij een bevriende fietsmaker laten maken). “Heb je wat geld voor koffie” “Nee” en ik duwde al lachend de wapenstok opzij en fietste door. Ook in Congo doet de politie dus aan etnische profilering.

Ik wilde de Cité du Fleuve zien: een super-Dukenburg, gebouwd in het moeras aan de rivier. De Volkskrant heeft er ooit iets over geschreven. Ik kwam aan en vroeg of ik mocht kijken (‘ik wil wellicht komen huren’). ‘Nee’. ‘Waarom niet?’ ‘Je kunt er alleen met de auto in’. ‘Maar ik heb alleen een fiets, mag ik wel te voet?’ ‘Nee, alleen met de auto’. ‘Maar in een auto kun je wapens binnensmokkelen en met de fiets en te voet niet’. ‘Nee, regels zijn regels’. Een met modder bedekte fietser voldeed duidelijk niet aan de criteria om er te mogen wonen.

Dan maar naar de botanische tuin en de dierentuin. Beide stonden grotendeels onder water maar het was lekker rustig. De dierentuin herinner ik me van 30 jaar geleden. Ook toen vervallen en openstaande hokken. De gids zei toentertijd dingen als ‘hier zat de leeuw en die is weggelopen’ en ‘hier zat de okapi (een uiterst zeldzame combinatie van antilope en giraffe) en die is door ons opgegeten’.

Voor de poort zaten gehandicapten in karretjes. Ooit speelde hier Staff Benda Bilili, de gehandicaptenband die later wereldberoemd werd. Binnen waren weinig dieren. Wel een tiental chimpansees, verdeeld over verschillende kooien. Ik wilde uiteraard bonobo’s zien en op het eind vond ik ze. Een heel jong tweetal zat samen met een oppasser in de kooi. De oppasser vertelde dat ze hier pas drie dagen waren (hun moeder was in het woud neergeschoten) en in paniek raakten als hij wegging. Ze vlogen ook steeds om zijn nek.

De kleinste echter ontdekte een gaatje in het dak en ontsnapte. Grote paniek, dacht ik. De soort is extreem bedreigd en ik zag de kleine – hoewel zijn DNA van alle dieren het meest op de mens lijkt (98%!) – nog niet in deze miljoenenstad overleven. Geen enkele paniek daarentegen bij de oppasser. Hij riep iemand, die kwam met een banaan, en de ontsnapte bonobo sprong in zijn armen. Ik bleef een tijdje bij hen staan, mijn eerste bonobo in Congo, maar niet de laatste, hoop ik!

En inderdaad, een week later was ik in Lola ya Bonobo (‘paradijs van de bonobo’s’). Dat vangt vooral bonobo-jonkies op wier moeder om het vlees doodgeschoten is. Ze hebben er nu zo’n 70. De oudste is al 34 jaar. Ze wonen beschermd achter schrikdraad. Na een succesvolle re-integratie hier, worden ze in het oerwoud terug gezet. Ze kunnen niet zwemmen en komen alleen ten zuiden van de binnenbocht van de Congo-rivier voor. Chimpansees vind je aan de noord- en oostkant van de rivier.

Beide dieren worden pas sinds de vorige eeuw als verschillende soorten gezien. Ze hebben nauwelijks lichamelijke verschillen. Alleen heeft de bonobo een donkerder gezicht, is hij lichter gebouwd en loopt hij vaker op twee poten. Het grootste verschil is in sociaal gedrag. Waar chimpansees conflicten met agressie oplossen, doen bonobo’s dat met seks. Make love not war, is hun motto. Het zijn de hippies van de dierenwereld. Ik zag ze in alle standjes seks met elkaar hebben, ongeacht leeftijd en geslacht.

De bonobo staat genetisch het dichtst bij de mens (meer dan 98% gemeenschappelijk DNA). In 1980 liepen er nog 100.000 in Congo rond, nu geen 10.000 meer. Naast het afschieten voor bush meat, is het inkrimpen van hun leefgebied door land- en mijnbouw de belangrijkste oorzaak. De populaties herstellen zich te langzaam door hun trage voortplantingscyclus (gemiddeld één baby per 5 jaar). Omdat ze alleen in het ongeorganiseerde Congo voorkomen, is de vrees dat onze naaste verwant binnen 20 jaar in het wild uitgestorven is.

Advertisements