De grote boulevard is afgesloten en ik fietste dus via de superdrukke boulevard Kasavubu en de markt terug naar huis. Terwijl ik me tussen twee autobussen wurmde, hield een agente me aan. Ik wilde langs haar, maar meteen kwamen er 4 mannen om me heen staan. “Rijbewijs!”. “Dat heb je als fietser niet nodig in Congo”. “Attest om aan het verkeer deel te nemen!”. “Bestaat niet” blufte ik maar daar trapten ze niet in. Gearresteerd. De 4 mannen praatten opgewonden met elkaar (verdeelden ze de buit alvast?). We liepen naar het politiebureau, een blauwgekleurde container. Ik talmde wat in de hoop te kunnen ontsnappen. Een van hen bleef echter achter me en hield mijn fiets vast. “Pas op, je maakt hem smerig” baatte niet. Buiten het politiekantoortje werd de fiets aan een ketting gelegd. Het was niet de enige.

Binnen, een raamloos hokje van een paar vierkante meter met een tafeltje, werd ik nogmaals naar het attest en het ‘identiteitsbewijs van de fiets’ gevraagd. De aankoopbon (uit Burkina, gefalsifieerd) voldeed niet. “Kun je in de wet het artikel aanwijzen dat zo’n attest en identiteitsbewijs verplicht stelt voor fietsers?” Hij liet een vodje officieel papier zien van het ministerie van transport met de tekst dat zo’n attest inderdaad voor handkarretjes en zo nodig is. En een verklaring voor als je met de fiets buiten Kinshasa gaat. Maar niet dus het attest voor de fiets. Hoewel ik de kunstjes ken (alle tijd hebben, met Monique bellen en vaak het woord ‘politie’ laten vallen, vriendelijk blijven) redde ik het niet. De fiets bleef daar (met boodschappen erin) en ik moest 20 € voor het attest, 15 € voor het identiteitsbewijs en 15 € boete betalen. Bovendien 2 € voor het bewaken van de fiets.

“Ik heb niet zoveel geld, daarom fiets ik en heb ik geen auto”. Het schaamteloze antwoord verraste me. “Ze noemen me Trésor, weet je waarom? Omdat ik wel heel rijk ben”. “Van de boetes zeker”. “Inderdaad”. Uiteindelijk betaalde ik 30 € en kreeg een voorlopig attest voor vandaag. De fiets mocht mee.

Het leed was niet geleden. Even verderop een platte band. Pompen hielp niet en ik moest nog zeker 3 km afleggen. Ik maakte de buitenband los en zag dat het ventiel van de binnenband gescheurd was. Dat los je niet op met plakken. Gelukkig wees iemand me een bandenplakstalletje voor auto’s. Een wonder geschiedde. Hoewel hij met een autobandenafnemer mijn bandje eraf haalde, slaagde hij er daarna in om het ventiel aan de binnenband vast te plakken. Hij stak 2 losse elektriciteitsdraadjes in een stopcontact en aldus dreef hij de luchtpomp en slijpmachine aan. Hij maakte een stuk autobinnenband ruw, plakte het en timmerde er een tijdje op. Rondom het ventiel wikkelde hij een lint rubber vol met plak. Dat alles voor 1,50 € (ik gaf hem het dubbele).

Ik reed een beetje binnendoor en zag de auto staan waarmee Monique een Belgische collega rond aan het rijden om aan de partnerorganisaties voorgesteld te worden. Ik vertelde mijn verhaal aan de chauffeur. “Moet je niet naar Monique?” Nee, die heeft het druk”. Maar ik moest de kaas die ze als kadootje gekregen had, mee naar huis nemen, zei hij. Die lag nu in de auto te smelten. Ik ken de organisatie dus ik vertelde binnen mijn verhaal aan de directeur. Anderen voegden zich bij ons. Hilariteit, zo’n attest bestaat helemaal niet. Zij krijgen nu een kopie van mij (van de tijdelijke voor één dag dus) en omdat zij een rechtenorganisatie zijn, gaan ze er achteraan. Ik heb mijn les geleerd. Fietsen met reizigers in Kinshasa is nu definitief van de baan.

Trésor belde een dag later. Dom misschien dat ik mijn nummer gegeven heb, maar ik was bang dat hij het ter plekke uit zou proberen en bij een vals nummer zat ik in de moeilijkheden. Wanneer ik het definitieve attest kwam ophalen? Einde ochtend ging ik langs. De fiets had ik bij een bevriend reisbureautje achtergelaten, zodat ze hem niet in beslag zouden kunnen nemen. Geen Trésor. Toen ik naar hem vroeg, zei de dienstdoende agent (?) dat hij een ‘valse’ politieagent was en ‘gevlucht was’. Ik blij: ‘allemaal bandieten, toch?!’ Er kwamen anderen, enkelen in uniform, omheen staan. Ik herhaalde mijn vraag. “Nee, nee, hij zei niet fuit (gevlucht) maar fille (naar zijn meisje of dochter). Zij belden Trésor en die zei dat ik naar een ander kantoor moest komen. Daar had ik geen zin in.

Ogenblikkelijk kwamen mensen om mij heen staan. De een zei dat hij de ‘nummer 1’ van het bureau was en dat hij mij kon helpen, de buurman zei dat hij me eergisteren gezien had en mij zielig vond en me wel wilde helpen, en een derde wilde me – tegen betaling – wel naar het andere kantoor brengen. Dat was op dat moment teveel naastenliefde voor mij.

Ik liep rustig naar de overkant. Daar stond de portier van de botanische tuin, die ik al eerder ontmoet had. We keuvelden over de hopeloosheid van Congo. Er kwamen anderen, allemaal oudjes,  die zich ermee gingen bemoeien. De huidige elite had hun corruptie van de Belgen afgekeken en het alleen nog extremer gemaakt. “Maar jullie kunnen dit veranderen, daar zijn bijvoorbeeld verkiezingen voor”. Ze moesten lachen. “Moet je niet wat meer zelfvertrouwen hebben?” Weer gegrimlach. Ze wilden de blanken terug. “Weet je wat blank in het Swahili is?” “Ja, muzungu”. “Weet je wat je krijgt als je zu eruit haalt?” “Mungu”. “… en dat betekent God”.

Op de weg terug – weer op de fiets – voordurend telefoontjes van Tresor. De oudjes hadden al aangekondigd dat hij me lastig zou blijven vallen. Trésor voelt dat hij mij in zijn macht heeft. Hij zal er het uiterste uit halen. Bij gebrek aan complexe financiële producten zoals woekerpolissen en omgepakte schuldpakketten is macht het enige verdienmodel van de Congolese ‘ondernemer’ of ambtenaar: door chantage en onverhulde corruptie.

Moet ik dan ophouden met hier fietsen? Nee, want afgezien van mijn hekel aan taxi’s duurt een autorit hier veel te lang. Daarom kom ik meestal op tijd bij afspraken en de ander veel te laat (“die files, hè”). De continue verstopping van Kinshasa is een rem op de economische ontwikkeling en maar ook een niche voor opportunistische en criminele ‘zakenlui’.

De volgende dag werd ferm op de poort geklopt. Trésor? De dagwacht was weg, dus ik vroeg Pauline te openen. Gelukkig was het maar een gewapende militair die namens de eigenaresse van het huis een elektriciteitsrekening op kwam halen. Daarna telefoon: twee keer Trésor op nieuwe nummers. Hij heeft nu al 5 verschillende nummers gebruikt. Ik weet intussen hoe ik die omzet naar voicemail. Maar misschien koop ik wel een nieuwe simkaart met een ander nummer.

In de middag had ik een debriefing met Théo van de stichting die een PUM-expert ontvangen had. We kwamen toevallig op mijn verhaal met Trésor. Hij baalde van dit soort landgenoten. Toevallig kende hij een hoog iemand op dat ministerie van transport en die zou hij erop aanspreken. Ik breng hem morgen een kopie van het voorlopig attest (vandaag was er geen stroom).

Enige dagen later dronken Roland en ik een pilsje. Hij is Nederlander en de enige andere fietser in Kin. Ik vroeg of hij ooit van het attest tot deelname aan het verkeer gehoord had. Guido zat bij ons en lachte al bij voorbaat. Tot mijn grote verrassing trok Roland een papier uit zijn portefeuille: het officieel ‘attest tot deelname aan verkeer voor fiets(en)’. Hij was er zelfs voor van zijn fiets gerukt, had om zich heen geslagen en was bekeurd. Hetzelfde verhaal volgde. Alleen heeft hij intussen zijn fiets aan de wilgen gehangen. Hij zegt dat de verschillende ministeries voortdurend nieuwe belastingen en vergunningen bedenken; er valt niet tegen op te betalen.

 

 

Advertisements