“Het geweld in Congo is de schuld van de Congolezen zelf.” Dat hoor ik regelmatig als ik hier in Nederland over de situatie in Congo vertel. Maar is dat wel zo?

Het straatarme Congo is ondergronds erg rijk. De huidige waarde van de voorraad aan delfstoffen wordt geschat op een ongelooflijke 24 biljoen dollar. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om goud en diamant, beide niet alleen zeer in trek bij de rijken der aarde maar ook nodig voor bepaalde industriële processen.

Een ander veel voorkomend erts is coltan. Het is onmisbaar in de minieme condensatoren in smartphones, laptops, etc. Zonder coltan geen digitalisering. Zonder coltan geen modern en luxe leven. Zonder coltan geen winstgevende Apples en Microsofts. En in Oost-Congo is men zich daar zeer bewust van.

Rondom de mijnputten zijn hele stadjes ontstaan. Kinderen kruipen in de smalle gangen om het erts met hamers en beitels los te kloppen. De volwassenen verzamelen het boven in versleten zakken en kloppen het tot gruis. Lokale handelaren kopen het voor een lage prijs op. Een delver verdient ongeveer 1 dollar per dag.

Het grote verdienen begint als de coltan op weg gaat. Lokale politie en soldaten komen ‘belasting’ opeisen. Bij weigering wordt geschoten. Sommige mijnen liggen in rebellengebied en dat bespaart deze ‘overheidsbelasting’. Een verdere besparing is dat de bewoners met geweld gedwongen worden om in de mijnen te werken. De rebellengroepen vechten niet alleen tegen het (ongedisciplineerde) leger maar vooral tegen elkaar om toegang tot de mijnen te krijgen.

De wegen in Congo zijn slecht en worden in het oosten beheerst door allerlei militiegroepen. Zij eisen ‘transport’- of ‘veiligheidsgeld’. Niet zelden wordt de coltan met geweld in beslag genomen en de grens met Rwanda of Oeganda over gesmokkeld. Beide coltanloze landen zijn coltanexporteur.

Het meeste coltan wordt daarna verscheept naar China waar het in moderne elektronica verwerkt wordt. De waarde is intussen flink vermeerderd tot ruim 100 dollar per kilo. Overigens, China koopt de coltan niet altijd maar ruilt het tegen de aanleg van grote infrastructurele werken als wegen en bruggen.

Behalve de beschreven artisanale mijnbouw zijn er in Congo ook grote transnationale mijnondernemingen. Ook hier blijft veel geld op illegale plaatsen hangen, maar dan op een wat hoger niveau. Politici verkopen de mijnconcessies voor veel geld of zijn zelf eigenaar van een aantal mijnen. Hogere militairen eisen hun deel van de geïnde ‘belasting’ op.

Over de winsten van de transnationale ondernemingen moet uiteraard officiële belasting betaald worden. Hiermee zou infrastructuur aangelegd kunnen worden of sociale voorzieningen als onderwijs en gezondheidszorg betaald kunnen worden. Helaas bereiken deze buitenlandse deviezen nooit de schatkist. Global Witness schatte onlangs dat de 750 miljoen dollar winstbelasting over 2013-2015 wel betaald is door de bedrijven maar dat die bij het regime is blijven hangen. Zij noemen het de ‘pinautomaat’ van Kabila. Hiermee betaalt hij zijn repressieve regime.

Transnationale ondernemingen weten ook goed hoe ze hun belasting kunnen ontwijken. Het rapport Honest Accounts 2017 berekende dat in 2015 in Afrika 68 miljard dollar winstbelasting ontdoken is. Let wel: de totale ontwikkelingshulp aan Afrika bedroeg dat jaar 19 miljard dollar.

Het geweld in Congo komt door de Congolezen zelf maar zeker ook door onze manier van leven. Onze automatisering en megacommunicatie kan het niet stellen zonder de gewelddadige exploitatie van Congolese grondstoffen. Onze bedrijven floreren slechts door geld aan Afrika te onttrekken. Een voorbeeld van de vloek van de grondstoffen.