Archives for posts with tag: ontwikkelingshulp

“We geven al decennia hulp aan Afrika maar het levert niets op”. Dat hoor ik regelmatig als ik hier in Nederland over de situatie in Congo vertel. Maar is dat wel zo?

Omdat ik in Congo voor de PUM werk, kom ik in contact met Congolese ondernemers. Zij klagen dat er zo weinig door Nederlandse bedrijven geïnvesteerd wordt. In de jaren ’80 was dat anders. Toen gaf Nederland exportkredieten aan bedrijven, vooral in de scheepsbouw, textiel en telecommunicatie, om te investeren in het toenmalige Zaïre. Als de klant niet terug kon betalen, was het Nederlandse bedrijf verzekerd. De verzekering werd uit Nederlandse ontwikkelingshulpgelden betaald. In 2010 kreeg Congo een algemene schuldenkwijtschelding, ook uit ontwikkelingsgeld betaald. Nederlandse en Congolese bedrijven verdienden dus ten koste van ontwikkelingsgeld, ofwel: arme Congolezen financierden rijke Congolezen en Nederlanders.

Een van de grootste westerse bedrijven in het huidige Congo is Heineken. Het onderzoeksinstituut Global Financial Integrity schatte in 2013 dat tussen 2002 en 2011 400 miljoen dollar onterecht uit Congo gestroomd is. Met name door belastingontwijking van westerse bedrijven. Het IMF stelde dat in 2009 de Congolese overheid 155 miljoen dollar van de mijnbouwondernemingen ontving terwijl voor 4,2 miljard dollar aan delfstoffen geëxporteerd werd.

Het lijkt symptomatisch voor Congo. Eerder in de geschiedenis van het land, in de 18de en 19de eeuw, zijn 4 miljoen slaven vanuit het koninkrijk Congo afgevoerd. Dat waren er zoveel dat alle bevrijde en teruggekeerde slaven in Liberia de Congos heetten. Rubber werd in het begin van de 20ste eeuw onder koning Leopold II getapt om in autobanden voor de opkomende auto-industrie en de oorlogsvoertuigen in WW1 te voorzien. Als de Congolezen het streefgewicht niet haalden, werden hun handen afgehakt.

Onder het Belgisch bestuur daarna werd koper gedolven voor onze elektriciteitsdraden en munitie. De arbeiders werkten als lijfeigenen bij de grote mijnondernemingen als de Union Minière du Haut Katanga. In WW2 had Congo het uranium beschikbaar waarmee Hiroshima vernield werd. En nu dan vult het Congolese coltan onze ICT-apparaten. Congo bood ons door de eeuwen heen altijd precies wat we hoognodig hadden. En dat voor weinig geld.

Je geeft ze een vinger maar je krijgt een hele hand terug, lijkt het. Het rapport Honest Accounts 2017 berekende dat Afrikaanse landen in 2015 161 miljard dollar uit het westen ontvingen, terwijl er tegelijkertijd 203 miljard verdween. Als we de getallen ontleden, zien we dat bij de ontvangsten 19 miljard staan als ontwikkelingshulp, 33 miljard aan leningen aan de overheid, en 31 miljard aan privé overboekingen van landgenoten in het buitenland. De rest zijn vooral leningen en aandelen in het bedrijfsleven.

Aan de verlieskant staan 18 miljard aan rente en aflossingen door de overheid, 32 miljard aan afgedragen winsten aan transnationale ondernemingen, 68 miljard kapitaalvlucht (vooral belastingontwijking), 29 miljard aan illegale handel (hout, vis, delfstoffen) en de rest is een schatting van het bedrag dat Afrikanen kwijt zijn aan de door ons veroorzaakte klimaatsverandering.

We geven al decennia hulp aan Afrika, dat klopt, maar het levert vooral onszelf wat op. Moet de ontwikkelingshulp daarom niet verhoogd worden ter compensatie van de onttrokken rijkdom aan Afrika?!

Ik heb een groot deel van mijn leven in de ontwikkelingssamenwerking gewerkt. Ik wilde solidariteit tonen met de mensen die het minder goed getroffen hadden. Dit in de overtuiging dat wij iets teruggaven van wat we in de eeuwen daarvoor genomen hadden.

In de Guardian stond onlangs een artikel dat die nepwaarheid ontkrachtte. Wij, de rijke landen, geven inderdaad genereus een deel van onze welvaart aan de arme landen. De rijke landen (verenigd in de OESO) geven momenteel jaarlijks 125 miljard $ aan ontwikkelingshulp. En hoewel dat bedrag afneemt, voelen we ons daar goed bij.

De Global Financial Integrity (GFI) en het Centre for Applied Research van de Norwegian School of Economics berekenden onlangs dat in 2012 in totaal 1,3 biljoen $ aan hulp, investeringen en overzeese overmakingen naar ontwikkelingslanden ging. Echter, in datzelfde jaar vloeide 3,3 biljoen $ terug naar de rijke landen. Netto ontvingen de welvarende landen dat jaar dus 2 biljoen van de armlastige landen. De schatting is dat dat sinds 1980 zo’n 16,3 biljoen $ is, ofwel ruwweg het BNP van de VS. Rijke landen ontwikkelen niet de arme landen, maar omgekeerd!

Hoe kan dat, waar zit hem dat in? Een deel (4,2 biljoen $) bestaat uit het aflossen van leningen, vaak aangegaan door eerdere corrupte regimes in de ontwikkelingslanden. De banken in New York en Londen profiteren hiervan. Een ander deel komt uit de winsten op de investeringen die gemaakt zijn. Deze winsten, bv van Shell uit de oliewinning in Nigeria of Anglo-American uit de goudmijnen van Congo, verdwijnen grotendeels naar de moederlanden.

Het grootste deel van het geld, naar schatting 13,4 biljoen $ sinds 1980, stroomt terug via kapitaalvlucht, witwassen en vooral belastingontwijking. Winsten worden illegaal of op semilegale wijze van de ene naar de andere dochtermaatschappij in het ene of andere land verplaatst, altijd met het doel om zo weinig mogelijk belasting te betalen.

Al met al worden deze schimmige geldstromen vanuit de ontwikkelingslanden momenteel geschat op zo’n 3 biljoen $ per jaar. Dat is 25 maal de ontwikkelingshulp. Waarom dus nog palaveren of we 0,7% van ons BNP aan ontwikkelingshulp besteden (een bedrag dat we overigens al jaren niet meer halen)?

Ontwikkelingslanden hoeven geen liefdadigheid van onze overheid of van grote bedrijven. Zij hebben behoefte aan gerechtigheid, zoals eerlijke handel en tax justice. De vraag is of de grote bedrijven en banken dat willen geven. De vraag is ook of de lokale macho presidenten dat willen claimen. Van de kruimels van deze geldstromen leiden ze immers een luxe leven. Een nare waarheid.

De hulp Pauline strijkt de was voor Monique. In huis is de stroom te zwak dus met allerlei verdeeldozen verbond M het ijzer altijd met een stopcontact in het kleine huisje op het erf. Ik had uit Nederland dus een mooi geaard verlengsnoer voor haar meegebracht. Pats. Het licht viel uit. Er was een stop gesprongen. Want Pauline had het verlengsnoer helemaal afgerold en in het verste stopcontact ìn huis gestoken. ? “Ja, want het stopcontact in het kleine huisje was te dichtbij voor dit snoer.” Afrikaanse logica is óók een logica.

Pats. Daarna sprong een andere stop. De elektricien was met een tang en gewone schroevendraaier de lichten op de wc aan het maken. Een deed het maar het andere haperde steeds. “Klaar”. Ik (man in huis!) mocht controleren. Het ene licht deed niets meer en het andere haperde niet meer: het deed het helemaal niet meer. Ik heb hem nu teruggestuurd om nieuwe elektriciteitskabeltjes te halen en de zaak om te leiden.

In de garage staat de meester me te woord. De gezellen proberen ondertussen de motor van Monique’s auto in elkaar te zetten. Het ziet er onhandig uit. En het resultaat is dan ook dat de auto even slecht start als voor de reparatie.

Het is gemakkelijk om hier nu de luie en onkundige Burkinabé de schuld van te geven. Beter is het om je te realiseren hoe slecht het onderwijs is en hoe weinig goede gereedschappen en materialen beschikbaar en betaalbaar zijn.

Op de Belgische ambassade word ik aan de consul voorgesteld (ik word steevast ‘de echtgenoot van Monique’ genoemd). Ze zegt dat Burkina sinds de laatste week zich wel degelijk goed op ebola voorbereidt. Ik zie later in de stad ook de affiches hangen met waarschuwingen hoe je het virus oploopt. Maar met de ingesleten tradities bij het afleggen van een lijk, en het armoedige gezondheidssysteem: wat levert dit op als de ziekte toch toeslaat?!

Het brengt me terug naar de handel vs hulp-discussie. Lost handel bovenstaande issues op? Nee, zeker niet. De huidige focus in ontwikkelingssamenwerking op handel ten koste van sociale voorzieningen als onderwijs en gezondheidszorg, heeft een nefaste uitwerking op het dagelijkse leven van de mensen hier.

Over 10 dagen vertrek ik naar Burkina Faso. Ik ga daar twee opdrachten doen voor de Belgische ontwikkelingsorganisatie waar Monique werkt: Broederlijk Delen. De eerste is het deels uitzetten en ter plekke de logistiek doen voor de sponsorfietstocht Dwars door Burkina. De tweede is de logistieke organisatie van een internationale conferentie over familiale of kleinschalige landbouw. Waar de Nederlandse organisaties zich alle concentreren op en zich afhankelijk maken van samenwerking met het Nederlandse bedrijfsleven, blijft BD zich richten op solidariteit met de arme boeren en mn boerinnen. In mijn ogen en ervaring is ontwikkeling veel meer dan economische groei. In de landen waar ik gewerkt heb (bv Guinee-Bissau en Liberia) is wel economische groei maar weinig respect voor de eerlijke verdeling ervan. De kloof tussen arm en rijk wordt er groter, die tussen man en vrouw blijft groot. Hulp bij de opbouw van een rechtvaardige samenleving is minstens zo belangrijk als het stimuleren van economische groei (waarbij het expliciet ook over ons eigen belang gaat; ik heb niets tegen het ondersteunen van het lokale bedrijfsleven). Dit klinkt tegenwoordig als een softe, linkse hobby voor losers. Ik schaam me er niet voor. Handel kan hulp nooit vervangen.

‘Mijn’ reisorganisatie Fairweggistan bestaat nu zo’n 3 jaar. Het begon als idee om een bescheiden tegenwicht tegen het afnemend draagvlak voor ontwikkelingssamenwerking te vormen. Het doel was en is: het vergroten van de betrokkenheid bij Afrika en zijn ontwikkeling. Het doet goed te constateren dat van de reizigers een tiental actief geworden is in of voor Afrika. Meer info vind je in de laatste nieuwsbrief