In deze aflevering was een stuk weggevallen:

Ik bekijk de filmpjes van het optreden gisteravond en zie hoe agressief het er aan toe ging. De jongeren hoefden hun ouderwetse legende helemaal niet terug, zij wilden hedendaags bier. Ik zie nu ook hoe het hogere kader van de bemanning de zaak probeert te sussen. Vergeefs. Enkele genodigde ambtenaren lopen, aktentas voor de borst geklemd, voortijdig weg. De enige aanwezige vrouw hield het ook voor gezien. Roland zei net dat het aanvoelde als een bokswedstrijd (hij bokst). Hij had grote moeite de tegenstander te verslaan. Volgens hem daagde het publiek hem uit: ‘witte, je gaat neer’. Toen het verhaal bij de storm aangekomen was, hing hij in de ring maar hij bokste zich terug en won uiteindelijk op KO. Tussen de jongeren achterin zou ik zelf voorzichtig van een overwinning op punten gesproken hebben. Maar misschien dacht Roland wel aan de rumble in the jungle in 1974, toen Mobutu 10 miljoen dollar prijzengeld overhad voor de legendarische bokswedstrijd tussen Mohammed Ali (die net een jarenlange schorsing uitgezeten had wegens dienstweigering voor Vietnam) en George Foreman (de wereldkampioen van dat moment). Net als Ali en Mobutu knokte Roland met woorden. Net als Ali kwam hij uit een verloren positie terug en won door KO.

De 400-jarige legende gaat als volgt: een stam uit wat nu Kameroen is, de Bangombe, trok zuidwaarts. Ze kwamen bij een brede rivier. Aan de overkant stonden de wilde krijgers van de Mongo. Ze kwamen bij een rij stenen die de oevers verbond. De hoofdman zei dat als ze niet omkeken bij het oversteken, ze de overwinning op de Mongo zouden halen. Halverwege ontdekte een vrouw dat ze de paan om haar baby in te vervoeren, vergeten was. Ze keek en keerde om. Degenen die al aan de overkant waren, werden in de pan gehakt.

legende

Roland heeft dit verhaal omgewerkt en een vervolg gegeven, geïnspireerd door Rimbaud, Baudelaire, Edgar Allen Poe en andere klassieke schrijvers. Hij introduceert een Held die verliefd wordt op een Prinses (bij de optredens worden die in het publiek aangewezen). De Maan ziet dat en huilt van ontroering. De Prinses vangt de tranen op en bergt ze in haar hart. Later gooit ze die in de rivier en het worden stenen. De Hoofdman echter is ook verliefd op de Prinses en is jaloers. Bij de overtocht over de stenen om met de Mongo te gaan vechten, doet hij met een list de Held omkijken. Weg overwinning. De Maan neemt revanche en tijdens een hevige storm verdrinkt de Hoofdman in de rivier. De Held neemt zijn schild en roeit ermee naar de overkant. Hij sluit vrede met de Mongo. Later werken ze alle oorlogsschilden om tot prauwen. In plaats van tegen elkaar te strijden, gaan ze met elkaar handelen en muziek maken. Ze drinken daarbij raffiapalmwijn, en ‘vandaag doen we dat met Primus (Heineken sponsort immers deze bijeenkomsten)! Dank jullie wel … muziek!’

Advertisements

Het is 6 december, de dag dat Monique haar contract in Congo beëindigt en naar Nijmegen/Brussel vertrekt. De dag ook waarop ik normaliter de Goedheiligman in Afrika mag vertegenwoordigen. Op de boot hier lijkt er weinig behoefte aan Hem. Het gaat hier slechts over de eerste levensbehoeften en daar horen speelgoed, hebbedingetjes en andere kadootjes niet bij. Geen Sint en Piet hier dus. Trouwens, als er íemand recht heeft tegen Zwart Piet te protesteren vanwege het slavernijverleden, is de Congolees het wel. De Arabieren (Tippu Tip) en daarna de Portugezen, Hollanders, Fransen en Engelsen haalden hier honderdduizenden slaven uit het binnenland. Koning Leopold II van België liet de Congolees als slaaf zwoegen aan spoorwegen en op rubberplantages, de Belgische bedrijven daarna op oliepalmplantages en in ondergrondse mijnen. Alles onbezoldigd en onder erbarmelijke omstandigheden.

Het is de een na laatste dag op de boot. Het was én avontuurlijk én saai, het was mooi en een fantastische ervaring, maar ik ga het niet veel mensen aanraden. Het risico van ziekte is groot en de medische zorg afwezig. Roland herhaalde wat hij al schreef: het is niet voor beginners, het is niet niks, deze reis. Morgen doet de boot de laatste 400 km naar Kisangani en de 1750 km terug zonder ons. Morgen gaan wij per vliegtuig terug naar Kinshasa, althans dat hopen we. Weer eens koffie en bier die niet dezelfde temperatuur hebben. Ik ben nog steeds ziek en dus ook toe aan uitzieken in een echt bed in een schone insectloze kamer. Ik had nu 38,6°C en ben maar met een antibioticumkuur begonnen. Ook Roland voelde zich vandaag niet goed (diarree). Hij lag languit op het dek in een plasje zweet. Toch wil hij vandaag voor de laatste keer optreden. Onverstandig.

Er was geleerd van het spektakel in Lisala. Eerst muziek, dan iedereen bier en dan het verhaal met daarna weer muziek. En dat ging goed. Roland trad op de duwboot op, en op de lege duwbakken konden de toeschouwers op lege kratjes zitten. Ze kwamen via een lange plank aan boord. De schijnwerper van de boot verlichtte het publiek. Vanwege de diarree had Roland niets gegeten. Eigenlijk was dit zijn beste optreden omdat hij de tekst eindelijk helemaal beheerst. Maar desondanks was het publiek rumoerig. Zoals in Lisala werd door de tekst heen geschreeuwd. Ik kon vanaf de bovenetage van de duwboot mooie opnames maken. Daarna was er nog een afscheidsborrel voor ons maar ik voelde me slap en ging naar bed (19 u).

einde

De laatste dag. Voor het eerst heb ik vannacht weer eens goed geslapen. De antibiotica slaan aan. Ik ben heel benieuwd naar vandaag, de dag van vertrek. Een onbekend vliegmaatschappijtje moet ons via dezelfde twee tussenstops die we op de heenweg hadden – Lisala en Mbandaka – naar Kinshasa brengen. Spannend. Maar goed, zelfs de twee grootste maatschappijen van Congo staan op de zwarte luchtvaartlijst.

Met zijn tweeën achterop plus bagage reden we op een brommertje naar het vliegveld. Eerst nog de bagage laten wegen op hun kantoortje. Heel aardige mensen. “Jullie zijn om 14 u in Kinshasa.” Het lijkt me sterk. Het brommertje mocht van de bewaking het vliegveld niet op. Bumba is klein en vervallen en het vliegveld idem. Eén enkele ruimte met een balie en harde stenen banken, een rode stoffige landingsbaan van nog geen kilometer, en een leeg veldje (parkeerplaats?) dat was het. Het zal dus wel een klein vliegtuigje zijn, die hobbelen zo lekker door de luchtlagen. Omdat Roland en ik ziek (en wit) zijn, regelde Dareck alle papieren. Een hele opluchting. Er zitten een tiental mensen binnen maar ik weet niet wie er mee gaat vliegen. Het is heet en mijn ogen vallen af en toe dicht.

Het vliegtuig landt niet noemenswaardig te laat (45 min.). Ineens stormen wel duizend mensen het beveiligde terrein op. Ze roepen, zingen en dragen grote affiches en spandoeken mee, in allerlei kleuren. Het zand stuift op. Als ik beter kijk, zie ik zo’n 6 verschillende afkortingen en foto’s van zelfverzekerd kijkende mannen in pak. Het is natuurlijk verkiezingstijd, en enkele kandidaten voor het parlement komen op hun thuisbasis aan. Drie groepjes gaan zingend naar drie auto’s, waaronder ook die die gisteren zo moeizaam van onze boot kwam. De andere blijven juichen en leuzen scanderen alsof hun kandidaat nog in het vliegtuig achtergebleven is. Als wij eindelijk in het vliegtuig zitten, staan ze er nog steeds, nu wat rustiger. Ik hoor van een passagier dat de zo enthousiaste aanhangers ieder ongeveer 1 € ontvangen hebben, toch het gemiddeld daginkomen van een Congolees.

Er zitten maar 8 personen in het 20-zits vliegtuig. Ik ga aan een raampje zitten. De bekleding zit los maar het raampje zit stevig vast. We vliegen onze boottocht van ruim 2 weken in een ruk terug in ruim 2 uur. De rivier is van boven nog majestueuzer dan van beneden. Stel je de Waal voor van de Waalkade tot aan de Rijnkade in Arnhem, met tussen de 1 en 10 eilanden ertussen. Geen afstand voor een brug. Moeilijk om doorheen te navigeren.

Daarna het bekende eindeloze boerenkoolveld, heel af en toe onderbroken door een meanderend riviertje met soms een hutje erlangs. Geen wegen, wel een paar grote ongelijkmatige open stukken die onderling verbonden zijn. Houtkapconcessies? Verderop komen er viesgroene moerassen langs de rivier en plukjes lichtgroene savannes in het oerwoud. Hier ook veel meer dorpjes en weggetjes. Het wordt zwaarbewolkt en ik zie bliksemschichten. Het voelt al snel alsof het vliegtuig over een oerwoudweg vol gaten rijdt. Ik doe mijn gordel om (er waren geen lampjes of geluiden die dat aangaven). Vlak voor Kinshasa zie ik de Kasai in de Congo stromen. Ik zie ook waarom die grote draaikolken ontstaan, namelijk door de vorm van de Congo. Nog verderop en al lager bij de grond denk ik nu ook vanuit de lucht ‘ons’ dierenpark te herkennen.

In het hotelletje zat parkeigenaar André met Robert van het wildpark in het zuiden en nog twee anderen te vergaderen. Hij vroeg of ik deelnam maar ik voelde me echt nog te slecht. Ik hoor wel hoe het afgelopen is. Ik ga eerst een paar dagen herstellen, fruit en groente eten, internetten, en de filmpjes ordenen. Jammer dat het evenement op de ambassade uitgesteld is want we zijn op tijd terug met onze film en het hotelletje ligt naast de ambassade. Ik denk dat er niet veel meer gaat gebeuren tot ik over een week naar Nijmegen terugga (hoewel: het is Congo). Dit is dus mijn laatste zin uit Congo, bedankt voor je interesse. De allerlaatste zin gun ik aan David van Reybrouck (schrijver van het epos Congo): ‘Congo, een leerschool voor je karakter, een kerkhof voor je illusies.’

Naschrift: de amateuristische film die ik gemaakt heb, staat met Engelse ondertiteling op Youtube: https://www.youtube.com/watch?v=q2F68wovF6c . De trailer van de documentaire vind je op: https://www.youtube.com/watch?v=xvzqA97xql0&t=7s . De documentaire wordt waarschijnlijk in zijn geheel vertoond op het Africa Now festival in het Afrikamuseum op 30 mei (Hemelvaartsdag).

 

In deze aflevering was een stuk weggevallen:

Ik bekijk de filmpjes van het optreden gisteravond en zie hoe agressief het er aan toe ging. De jongeren hoefden hun ouderwetse legende helemaal niet terug, zij wilden hedendaags bier. Ik zie nu ook hoe het hogere kader van de bemanning de zaak probeert te sussen. Vergeefs. Enkele genodigde ambtenaren lopen, aktentas voor de borst geklemd, voortijdig weg. De enige aanwezige vrouw hield het ook voor gezien. Roland zei net dat het aanvoelde als een bokswedstrijd (hij bokst). Hij had grote moeite de tegenstander te verslaan. Volgens hem daagde het publiek hem uit: ‘witte, je gaat neer’. Toen het verhaal bij de storm aangekomen was, hing hij in de ring maar hij bokste zich terug en won uiteindelijk op KO. Tussen de jongeren achterin zou ik zelf voorzichtig van een overwinning op punten gesproken hebben. Maar misschien dacht Roland wel aan de rumble in the jungle in 1974, toen Mobutu 10 miljoen dollar prijzengeld overhad voor de legendarische bokswedstrijd tussen Mohammed Ali (die net een jarenlange schorsing uitgezeten had wegens dienstweigering voor Vietnam) en George Foreman (de wereldkampioen van dat moment). Net als Ali en Mobutu knokte Roland met woorden. Net als Ali kwam hij uit een verloren positie terug en won door KO.

De 400-jarige legende gaat als volgt: een stam uit wat nu Kameroen is, de Bangombe, trok zuidwaarts. Ze kwamen bij een brede rivier. Aan de overkant stonden de wilde krijgers van de Mongo. Ze kwamen bij een rij stenen die de oevers verbond. De hoofdman zei dat als ze niet omkeken bij het oversteken, ze de overwinning op de Mongo zouden halen. Halverwege ontdekte een vrouw dat ze de paan om haar baby in te vervoeren, vergeten was. Ze keek en keerde om. Degenen die al aan de overkant waren, werden in de pan gehakt.

Roland heeft dit verhaal omgewerkt en een vervolg gegeven, geïnspireerd door Rimbaud, Baudelaire, Edgar Allen Poe en andere klassieke schrijvers. Hij introduceert een Held die verliefd wordt op een Prinses (bij de optredens worden die in het publiek aangewezen). De Maan ziet dat en huilt van ontroering. De Prinses vangt de tranen op en bergt ze in haar hart. Later gooit ze die in de rivier en het worden stenen. De Hoofdman echter is ook verliefd op de Prinses en is jaloers. Bij de overtocht over de stenen om met de Mongo te gaan vechten, doet hij met een list de Held omkijken. Weg overwinning. De Maan neemt revanche en tijdens een hevige storm verdrinkt de Hoofdman in de rivier. De Held neemt zijn schild en roeit ermee naar de overkant. Hij sluit vrede met de Mongo. Later werken ze alle oorlogsschilden om tot prauwen. In plaats van tegen elkaar te strijden, gaan ze met elkaar handelen en muziek maken. Ze drinken daarbij raffiapalmwijn, en ‘vandaag doen we dat met Primus (Heineken sponsort immers deze bijeenkomsten)! Dank jullie wel … muziek!’

Na het optreden gisteren ben ik grotendeels binnen gebleven en heb ik water en pillen geslikt. Ik heb nauwelijks gefilmd. Vannacht heb ik slecht geslapen door het hoesten en de aanlegmanoeuvres van de boot. We zijn in Bumba, onze laatste halteplaats. Ik at vanochtend de harde koeken uit de Kasai die ik van Monique als noodrantsoen meegekregen had. Ik verzachtte ze in de lauwe koffie. Maar gelukkig kwam Roland al snel met vers brood en banaan langs. Dareck en hij gaan tickets en hotel regelen in het stadje, ik blijf thuis en drink en slik.

Ik was wel zeer benieuwd hoe ze de blitse auto van de gouverneur van Bumba (kadootje van het regime, niet voor pakjesavond – het is 5 december – maar voor de verkiezingen) aan wal zouden krijgen. Toch maar naar buiten dus. De duwboot nam de duwbak, waarop de auto stond, naast zich mee en zocht een plek aan de kant die niet te ondiep was. De kapitein vond een stukje oever dat vrij steil afliep. Hij duwde de bak zo dicht mogelijk aan de kant. Op de wal zochten werklui stevige planken. De auto reed de planken omlaag maar kon de oever niet op. De wielen draaiden, stofwolken stoven rond, maar de auto bewoog niet. Sterker, hij dreigde in het water te glijden. Veel geschreeuw, iedereen ging duwen, en uiteindelijk, in nog meer stofwolken, kwam hij omhoog.

einde2

Er kwamen in megafoons roepende mensen en toeterende auto’s langs. Zelfs een stoet fietsers die posters van hun kandidaat omhoog hielden. De verkiezingscampagne is begonnen. Ik probeerde op het dek wat internet te vangen. Een oude vrouw kwam luid schreeuwend naar me toe. Ik versta er niks van maar de anderen vertalen graag: ik moet haar geld geven, anders betovert ze mij. Omdat ik erg benieuwd naar dat laatste was, gaf ik niets. Maar nu begin ik toch wel zenuwachtig te worden. Mijn gezondheid is al zo zwak.

Op de oever was het levendiger dan in Lisala. Veel oude koloniale gebouwen waren handelshuis gebleven. Een ervan was van de vader van de in Den Haag veroordeelde en daarna afgewezen presidentskandidaat Jean-Pierre Bemba. Er stonden twee kranen die – net als die in Kinshasa – alleen maar als silhouet tegen de lucht functioneerden. Ernaast de Congolese kraan: een rijtje mannen gooide vanuit een boot stenen naar elkaar door en stapelde die op de oever op. Er reden nauwelijks auto’s maar wel heel veel fietsers. Er lagen minstens tien baleinières aangemeerd en een vijftal pousseurs met barges zoals wij. Steeds pakten prauwen onze reling vast om zich een klein stukje stroomopwaarts voort te trekken. Er waren ook erg grote prauwen bij, die echt van een woudreus gemaakt moeten zijn. Deze hebben vaak een buitenboordmotor, menskracht volstaat hier niet. In een ervan dacht ik een spleettrommel te zien. Dat is een holle boomstam met bovenop een spleet waar met twee stokken op getrommeld wordt. Hij wordt vooral nog bij rituelen gebruikt. Deze eeuwenoude traditionele drum communiceert door afwisselende hoge en een lage tonen naar verre dorpen te sturen. Eigenlijk is het dus de voorloper van de digitale (0 en 1) boodschappen die wij tegenwoordig over een grote afstand sturen, het e-mailen en appen avant la lettre.

Een duwboot en een duwbak met een container erop meerden aan. Een oude man strompelde op me toe. “Witte, ik ben ziek.” “Wat heb je?” Hij zei iets dat ik niet begreep. Ik had nog oude ibuprofen en die zou hem geen kwaad doen, dacht ik. De rivier hakt erin. De ziekenboeg breidde zich uit. Gisteren was Alex al met een flinke wond op zijn been langsgekomen, vandaag had een andere werker zich flink in de vingers gesneden. Betadine en verband. Iedere dag verschonen. “Geen antibiotica?” “Ik ben geen Afrikaanse dokter die voortdurend antibiotica geeft, de Betadine doet haar werk wel.” Ook Dareck voelt zich koortsig vandaag (MH: hij zal een week later in Kinshasa in het ziekenhuis opgenomen worden met hevige malaria).

Een bemanningslid kwam me waarschuwen dat er een leeuwenvel te koop was. Ik ging kijken. Het was een luipaardvel. Het was door een jager in ‘het bos’ geschoten en kostte 1000 dollar, ‘à discuter’, dat wel. Ik mocht niet filmen. Dat deed ik wel bij een schaal gedroogde slangen. De reis is bijna ten einde. Ieder bemanningslid kwam afscheid nemen in mijn kamer en … of ik een kadootje voor hen had. Daarna ontstond er een meningsverschil over wie in ‘mijn’ hut verder mocht reizen. Ik hield me erbuiten. Ik vroeg wel wat ik met de vuilniszak waarin ik de hele de reis afval verzameld had, moest doen. Niemand begreep me. ‘In de rivier gooien is slecht voor het milieu’, zei ik. ‘Maar hier is heel veel milieu, dus maakt het niet uit’, en ze gooiden hem in de rivier. Langzaam dreef hij de 1350 km terug naar Kinshasa en daarna nog zo’n 600 km via de watervallen en stroomversnellingen de oceaan in.

De Grote Dag. Het einde van de queeste. Roland brengt de legende van de Bangombe terug naar Lisala. We splitsten ons in twee groepjes Roland ging naar de radio om zijn optreden aan te kondigen, en de filmer en zijn onervaren assistent (ik) gingen de stenen in de rivier filmen die in de legende een belangrijke rol spelen. We werden begeleid door een districtschef. Op een koloniale medaille die hij om had, stond iets met ‘Inlandsch Bestuur’ en ‘Werk en Vooruitgang’. Zijn overgrootvader was al districtschef geweest, in toen nog Belgisch Kongo. Ik zei dat het mijn taal was, Nederlands. Hadden de Nederlanders dan België bezet? Ja, voor korte tijd, zei ik enigszins geschiedvervalsend. Dus eigenlijk was Congo door de Nederlanders gekoloniseerd! Nee, dat was te veel eer. Hij wees ons vele plekken aan waar de Bangombe de rivier overgestoken waren. Helaas was de rivier op zijn hoogste niveau zodat we aan de kant wel wat stenen zagen maar niet in de rivier zelf.

Voor de rest was het een mooi tochtje in onze prauw met buitenboordmotor. De grote oude bakstenen Sancto Petro-kerk domineerde een geanimeerde nederzetting. Prauwen voeren af en aan, allemaal beladen met gele plastic jerrycans met raffiapalmwijn. Alles rook ernaar en het meest nog de inwoners. Ik voelde me toch al niet lekker, dus sloeg ik het aangeboden drankje beleefd af. Ik bleef wel even in de bar zitten. Mannen en vrouwen bestelden aan een stuk door. Het goedje werd wel eerst nog door een theezeefje gehaald. Een beker kostte 0,30 €.

legende teruggebrachtTerug op de boot stortte ik in. De gezondheid wil niet erg. Al een paar dagen last van diarree (niet ideaal met het boottoilet) en sinds het begin van de reis hoestbuien. Ik slaap langs de motor en daar komen allerlei vieze dampen uit, dat zal het wel zijn. Toen Dareck uitgevist had dat er nog drie personen op de vlucht Bumba-Lisala-Gemena-Kinshasa meekonden aanstaande vrijdag, hakte ik de knoop door. Ik ga over een paar dagen – in Bumba – terug naar Kinshasa.

Vrij snel vertrokken we naar de bar in Lisala om het evenement voor te bereiden. Vanaf toen liep alles mis. De Immigratiedienst had dit moment uitgekozen om mijn papieren te controleren. Ik had alleen een kopie (geplastificeerd, dat wel) bij me en dat accepteerden ze als identiteitsbewijs. Tweede kapitein Alex zou mee gaan naar hun bureau. Ik fluisterde dat als ze moeilijk deden, ze de kopie mochten houden, ik had er nog meer. Gelach. Toen ik verlaat in de bar kwam, bleek er geen licht te zijn. Dat was wel beloofd. Dareck wilde lampjes gaan kopen maar Roland gaf geen geld. Ik ging naar Roland: ‘geen licht, geen film’. Hij gaf geld en een handig iemand verbond de lampjes met een losse stroomdraad. De installatie piepte en kraakte en was niet te verstaan. En de generator viel af en toe uit.

Nu moet ik even iets rechtzetten. Ik zeg altijd dat tijd voor Congolezen zoiets als zuurstof is: geen zorgen, het is er vrijwel altijd genoeg. Ik zat fout. Op de radio was gezegd dat er vanaf 17 u een gratis fles Primus voor de toeschouwers zou zijn, en vóór 17 u stroomden ze al binnen. Roland begon op het afgesproken tijdstip van 18 uur. Ik knikte nog nee, maar hij begon toch. Echter, het bier was nog niet allemaal rondgedeeld en het publiek eiste drank. Ik filmde achterin. Hier zaten veel jongeren. Niemand luisterde, iedereen klampte de barjuffrouwen aan voor het beloofde bier. Daarna klampte men mij aan: ‘witte, regel bier; witte, geef geld; witte, film me’. Het was een complete wanorde. Roland ging stug door. Voorin zaten wat notabelen. Als die reageerden, kwamen de jongeren er met gejuich overheen, alsof ze bij een voetbalwedstrijd zaten. Dareck en ik filmden en Roland was daar achteraf tevreden over: het was ‘heet’. Roland kortte het verhaal in en het eindigde in een complete chaos. Ik was teleurgesteld dat niemand voor het verhaal kwam, en alleen voor de gratis alcohol. Roland vond het prima: het verhaal was teruggegeven aan de Bangombe in Lisala. Gelukkig kon hij even later in en radio-interview alles nog eens rustig uitleggen.

De volgende nacht zijn we om 4 uur voor onze laatste etappe vertrokken. Ik hoorde gisteren dat er onlusten in Kisangani geweest zijn. Affiches van de kandidaat van het regime zouden zijn verscheurd, en de politie zou hard opgetreden hebben met tientallen doden als gevolg. Ik weet niet wat ervan waar is maar onze keuze voor een terugkeer vanuit Bumba wordt erdoor ondersteund. Kisangani is altijd de stad van opstanden geweest. Het is decennia lang belegerd en bezet door slavenhandelaren, en rebellen- en huurlingenlegers. Op de boot herlas ik Heart of Darkness (Joseph Conrad) en A Bend in the River (VS Naipaul) die beide in Kisangani spelen (hoewel de stad nergens genoemd wordt). De onheilspellende broeierige sfeer, het geweld, de demonen, geesten en magie, niets is wat het lijkt. Blauw Hout van Roland putte, zo te lezen, uit deze boeken (vooral het derde hoofdstuk).

Buiten trekt het vertrouwde landschap voorbij. Dat bestaat op ieder moment uit drie horizontale lagen: de bruine rivier, het groene woud en de grijze lucht. Met daarbinnen af en toe kleine variaties als een langsvarende prauw, een hutje of een donderwolk met bliksemschichten. Ik loop over de duwbakken en zie dat er veel lege kratjes bijgekomen zijn. Ik koop mijn ontbijtbanaantjes tegen de diarree, en zie een nieuw product op onze markt: een gloednieuwe vierwielaangedreven bak van een auto. Met een verkiezingsaffiche op de voorruit. Wij moesten gisteravond via een modderpaadje afdalen en daarna over een wiebelig plankje via andere duwbakken naar de hut terug. Hoe de auto hier gekomen is?

Het is koud. Ik voel me nog steeds ziek. Ik meet 38,2°C. Ik denk toch een verkoudheid of griep. Bij mij slaat dat meteen op de longen. Dat het erger kan, haal ik uit Rolands net verschenen boek: ‘De reis per Grand Pousseur over de fleuve Congo is geen reis voor beginners. Ratten, met die lading suiker en malt aan boord, het moeten er meer dan honderd zijn geweest. Vuistdikke ratten, die gewoon door je hut lopen. Of je hoort ze boven of achter de muren krabben. Vlooien, luizen, mieren zo klein, dat ze in tupperware bakjes kunnen kruipen en zich langs jampotdekseltjes naar binnen wurmen. Muskieten. De hitte. Huiduitslag van waarschijnlijk het vieze water in de havens waardoor ik nu antibiotica moet slikken. Bijna continu diarree. Ik ben afgevallen.’ Het goede nieuws: ikzelf ben aangekomen, vooral door de overvloedige maaltijden die de schrijver van bovenstaande tekst iedere dag rond 14 u maakt. Vanwege mijn belabberde toestand werd die vandaag zelfs in mijn hut geserveerd.

Iedere middag hangt het buurmeisje de was op. Steeds komen de beha’s voor mijn deur te hangen. Ik vind dat prettig want zo kan ik een beetje verscholen filmen. Bij de hemdjes en rokjes moet ik te veel bukken. Op mijn filmpjes zie je dan ook regelmatig kledingstukken in beeld verschijnen. Ikzelf was zo dom om vannacht in Lisala twee onderbroeken op de lijn te laten hangen. Weg. De blouse hing er nog maar was gescheurd. Het stormde vannacht. Of zouden de boze jongeren van gisteravond …?

Vanochtend regen en wind bij het opstaan. Beide oevers lagen verscholen in een witte waas. Het rivierwater was zwart bespikkeld. Ik kleedde me ze dik mogelijk aan en staarde naar buiten. De Congo, een van de langste en diepste rivieren ter wereld. Het wordt hier nooit de Congo maar le fleuve genoemd, de rivier, het behoeft geen verdere aanduiding. Het land Congo is het hart van Afrika, het Heart of Darkness, alles komt hier samen: de ellende, het optimisme, de corruptie, de rijke natuur, de muziek, de machtswellust, de armoe, de rijkdom. De rivier de Congo is het hart van het land, zijn stroomgebied omvat het hele land: het is de ontmoetingsplaats, de snelweg, de supermarkt, de eiwitbron, de aanvoerroute van het leger en van revoluties. Hij stroomt van het uiterste zuiden noordwaarts, door uitgestrekte moerassen, door lege savannen, en buigt dan westwaarts en zuidwaarts door het overweldigende evenaarswoud (la forêt genoemd, het stuk dat wij varen) om tussen Kinshasa en Brazzaville een meer te vormen en daarna via stroomversnellingen en watervallen in de oceaan te plenzen. De Inga-waterval kan energie voor heel Afrika leveren … kan … zou kunnen … als het land beter en eerlijker bestuurd zou worden. Bij de monding waaieren het bruinkleurige slib en de hyacinteilandjes nog honderden kilometers in de Atlantische oceaan uit.

De Congo is hier erg breed, tientallen kilometers. De zandbankeilanden zijn groot, een soort Waddeneilanden. De zon begint door de grijze lucht te pieken. Als ik in de verte kijk, lijken de prauwen en hyacinteilandjes vanwege het opwarmende water boven de rivier te zweven. Hun spiegelbeeld zit in het water. Ik voel me een soort Stanley die de rivier aan het ontdekken is. Stanley had het overigens iets moeilijker. Zijn tocht duurde langer, er waren geen geneesmiddelen tegen malaria, er woonden wilde stammen die hem met speren en pijlen bekogelden, en hij had geen idee waar hij uit zou komen. Men dacht toen nog dat de bovenstroom van de rivier uiteindelijk de Nijl zou worden.

LisalaOp het dek krioelden alweer de meervallen met hun lange dikke snorharen. Dankzij een extra ademhalingsorgaan, nodig om in de droge tijd in de modder te overleven, blijven ze aan boord vers (in leven dus). Er lopen ook drie zwarte varkentjes rond. Uit een kookpot steekt het onbehaarde hoofdje van een aap, ik denk een makaak. Er omheen dobberen de handjes, voetjes en ribbenkast. Ik zie weinig illegaal gevangen wild. Het meeste wild gaat de andere kant op, naar Kinshasa. Verderop hoor ik gekir. Twee grijze roodstaartpapegaaien zitten in een gevlochten kooitje. Zij worden als huisdier verkocht omdat ze snel leren ‘praten’ maar het is sinds kort een beschermde diersoort. Het is duidelijk dat de bewoners veel meer aan boord brengen dan waar vraag naar is. Onze boot heeft nu eenmaal maar een fractie aan kopers aan boord vergeleken met de andere duwkonvooien en baleinières. Ik hoor nu ook voor het eerst dat men me ‘Pingpong’ in plaats van ‘mundèle’ noemt. Pingpong is een Congolese komiek met wild uitstaand wit haar. Blijkbaar bekend tot in het stopcontactloze oerwoud.

In de palmen langs de route hangen weversnestjes. De vogeltjes vliegen ijverig met stukjes palmbladnerf op en neer om hun nest te vervolmaken, anders keurt het vrouwtje het af. Meer en meer palmgieren vliegen statig boven de oevers. Tegen de avond verschijnen honderden zwaluwen die met allerlei capriolen de insecten boven de rivier vangen. De echte biodiversiteit van het woud is achter de groene muur te vinden. Het was een sombere, bijna Nederlandse herfstdag. Grijze wolken en druilerige regen. Om half zes was het al donker. Normaal gesproken wordt het boven de evenaar om 6 uur binnen een mum van tijd donker, alsof de lichtknop uitgedraaid wordt. ’s Ochtends om 6 uur gaat het weer aan. Een schemering of een seizoen kennen de tropen niet.

De dag erna weer de eindeloze bruine watervlakte met af en toe het groen van een pluk waterhyacinten met gras erop. Weer de eindeloze groene muur met af en toe een bijen- of mierennest, een kleurige bloem of vlinder, of een rieten hutje op palen. De helft van de hutjes is door de stroming ingezakt. Bij de bewoonde hutjes spelen kinderen in het water. In de deuropeningen staren volwassenen naar buiten (ik staar natuurlijk ook met mijn verrekijker naar hen). Wat doen ze de hele dag? Ik vond het wachten op het vertrek van deze boot al zeer vervelend. Ik had niets om handen. Maar deze mensen hebben geen hometrainer, laptop, radio, tv, boeken. Ze kunnen geen ommetje maken, ze kunnen alleen maar naar en van passerende boten varen. En er zijn nog maar heel weinig boten die ons passeren op dit stuk rivier. Als deze levensader wegvalt, zoals noodgedwongen even bij de ebola-uitbraak in Mbandaka, valt het leven hier weg.

Soms vaart onze boot vrij dicht langs de hutten. Ik kan dan wat van het interieur zien. Vaak gekleurde doeken aan de muur en een opengeslagen doek voor de deuropening. Rieten krukjes zoals ik ze op de boot zag. Buiten een terrasje met matten waarop maniok ligt te drogen. Soms zie ik de vrouwen maniokwortel stampen. Eerst wordt het geweekt en geperst om het giftige blauwzuur eraan te onttrekken. Na het stampen wordt het met water aangemaakt en langdurig – onder het voortdurend omscheppen van de hete massa – gekookt. De pasta wordt in een bananenblad gerold en je hebt het nationale gerecht: chikwangwe. Het wordt vaak gegeten met gekookte blaadjes, pundu, en in blad gekookte vis met wat kruiden, liboke. Aan de waslijn of het waslatje hangen de kleren te drogen. Tussen twee hoge palen is een visnet gespannen, net alsof ze ieder moment kunnen gaan volleyballen. Ik hoor dat dat ’s nachts de vogels moet vangen. Oma en/of opa zitten op een balkje voor het huis. Kinderen spelen in het water. Jonge vrouwen vlechten elkaars haren tot antennes zoals die van marsmannetjes. De jongemannen zitten in de prauw in afwachting van een passerende boot. ’s Nachts wordt met koplampjes op gevist.

We kwamen rond 18 u in Lisala aan. Nog 100 km tot Bumba en 500 km tot Kisangani. Weer een dilemma over wat we hierna gaan doen. Roland en Dareck willen – ondanks het cancelen van het ambassade-evenement – toch vanuit Bumba terug proberen te vliegen. Ik had me net op Kisangani ingesteld. Met hen mee teruggaan heeft het voordeel dat ik zeer ruim op tijd voor mijn terugvlucht naar Nederland in Kinshasa ben. En ook dat ik niet in mijn eentje de autoriteiten in Kisangani te woord moet staan. Maar ik heb niet zo’n zin in een week Kinshasa, mede omdat ik er niet kan bewegen (geen fiets, geen hometrainer, geen buurt voor wandelingetjes). Het voordeel van doorreizen is dat ik de hele reis volbracht heb en de opgezette dieren kan kopen. Het nadeel is dat ik in Kisangani er in mijn eentje voor sta. En dat er altijd alsnog iets fout kan gaan waardoor ik uiteindelijk te laat uit Kisangani kan vertrekken. Tot nu verliep het voorspoedig maar we zijn hier niet in Nederland, integendeel. De reis Bumba-Kisangani is meer van hetzelfde, dus om het landschap hoef ik het niet te doen. Ook Kisangani heb ik al eens bezocht, inclusief de beroemde Wagenia-watervallen en -vissers. Wordt vervolgd.

Lisala is een stadje en dus gingen we naar het café. Ambiance! Zwoele vrouwen dansten soukous op een podium, hete mannen konden niet kiezen tussen de vrouwen en de Champions League voetbalwedstrijd op de tv en gingen dus voor de koude drank, onze bemanning dronk te veel en wankelde op de dansvloer, de dj bleef op hoog volume opwindende Congolese muziek draaien, de vrouwen bleven erotische bewegingen maken. Mijn hoofd tolde.

Vannacht om 4 uur vertrokken we weer uit de haven van Mbandaka. De rivier gaat nu langzamerhand naar het oosten afbuigen. Nog 1000 km te gaan tot Kisangani. Ik weet niet of ik dat ga halen met mijn verslechterde gezondheid. Door de dieseldampen uit de belendende machinekamer adem ik steeds moeilijker.

Rond 6 uur stond ik op. Ik open mijn deur en kijk tegen een oude man aan, die zich aan de reling vasthoudt. Hij had een slordige grijze baard en een soort overdwarse Napoleonsteek op. “Machete, machete!” (kapmes). Ik schrok: wilde hij me aanvallen met een machete? Ik ging snel de deuropening versperren om mijn spullen te beschermen. Om de hoek zag ik een bemanningslid aankomen en die vroeg ik te helpen. “Hij wil een machete van je kopen”.

De zon komt oranjekleurig achter de woudreuzen op. We varen door het ondoordringbare oerwoud. Tussen de bomen komt waterdamp omhoog. De bomen meteen langs de rivier staan met hun stam in het water. De hutjes op de oever zijn weer op palen en weer van stro. Enkele grote duwboten met duwbakken vol boomstammen varen langs. Tot op het randje zitten en staan mensen. Op hun paar vierkante centimeter doen ze hun dagelijkse dingen: koken, eten, afwassen, kleren wassen, kwebbelen, ruziën. Ze zwaaien naar onze boot. Er zal toch echt wel eens iemand in het water vallen, denk ik.

Ik keek nu eens verder rond. Aan mijn kant van de boot hingen een tiental prauwen, allemaal vol met vrouwen, meisjes en baby’s. Een baby werd aan mij overgereikt. Ik verstond de moeder niet maar ik zal het wel mee naar huis hebben mogen nemen. Ik kreeg niet de indruk dat ze veel verkochten. Misschien zochten ze spul uit de stad om te kopen. Ook haakten schoolkinderen aan, herkenbaar aan hun uniformpje en rugzakje. Ze liften naar de school verderop. Ik neem niet aan dat die strakke Nederlandse lestijden heeft. Een kwartier later zie ik de school, vier palen en een rieten dak. Zo’n 20 leerlingen in rieten bankjes. Een schoolbord kon ik niet onderscheiden.

Sommige prauwen halen maar nét de achtersteven van de duwboot. Dan moet iemand zich lang maken om de reling te pakken en de boot langszij te trekken. Vaak helpt een bemanningslid van ons. Mislukt het, dan zie je de prauw snel in onze maalstroom naar de horizon verdwijnen. Maar de meeste roeiers zijn ontzettend behendig en springen van de ene naar de andere prauw om snel een stuk touw vast te maken. De prauw is voor hen wat voor ons de fiets is.

De rivier is duidelijk de vloeibare A2 van het tropisch regenwoud. Tientallen prauwen varen af en aan. Soms liggen er vier naast elkaar aangemeerd. De producten zijn ook diverser dan voorheen. Ik zie grote slakken, maniokmeel, suikerriet, visfuiken, en uiteraard veel vis. En als ik rondloop op de boot, dan is die tot de AH omgetoverd. Waar gisteren nog 15.000 kratjes stonden, staan nu allerlei waren uitgestald. Mijn beide buurvrouwen verkopen tweedehands kleding uit Kinshasa. Andere vrouwen van bemanningsleden verkopen westerse medicijnen, batterijen, lucifers, schoenen, pannen, limonade, en plastic emmers, bakjes, mokken, etc. De riverains (oeverbewoners) verkopen ook nog traditionele medicijnen, maniokblaadjes, rupsen, oerwoudvruchten, rieten stoeltjes, bananen, aubergines, kippen, en de enorme vette larven (2 bij 5 cm) die in het rottend hout van de palmboom leven. De bezoekers zijn beter gekleed dan op het stuk vóór Mbandaka, en er gaat ook meer geld om, heb ik de indruk.

Een forse steekvlieg steekt me. Zijn achterlijf is geel-bruin gestreept, en zijn grote facetogen zijn metalig groen. Het is geen tseetseevlieg (want die heeft de vleugels gekruist) gelukkig. Mijn schuursponsje wordt gekoloniseerd door kleine mieren, terwijl het toch echt van synthetisch materiaal is. De alom aanwezige bruine wantsen lopen langs de muur. Ik wil hen niet in mijn matras hebben, daarom heb ik het plastic er omheen gelaten. In de buitenlucht zie ik allerlei libellen vliegen. Behalve zwermen zwaluwen rond de insecten in de schemering, nauwelijks vogels. Op de markt van Mbandaka zag ik katapulten te koop. Er zal wel een causaal verband zijn.

In de groene muur langs de kant flikkert af en toe wat lichtblauws op, een vlinder. Later in de lage struiken een fel oranjeblauwe vogel met een rode snavel: de malachietijsvogel. Ook springen paarse en witte bloemen van een klimplant eruit. Een passievrucht? Voor de rest zijn het alle denkbare kleuren groen in alle denkbare vormen bladeren. Het oerwoud is tweedimensionaal, het kent geen diepte, na de groene muur is het ondoorzichtig. Varens, struiken, kronkelende lianen, klimplanten en wurgbomen versperren de blik. Af en toe zie je boven het bos uit een door blikseminslag zwarte kale stam of de dode takken van een gestorven woudreus. Ik weet van ons eigen dierenpark dat de enige manier om door het bos te komen, het kappen van een doorgang is. Bossen zijn massiever en ondoordringbaarder dan bij ons.

Gegil. Vlak voor mijn neus slaat een prauw om. Ik ben te verbouwereerd om te filmen. Een man en een jongen komen met het hoofd boven water. Ze klampen zich aan de omgekeerde prauw vast. Ze lachen en verdwijnen snel stroomafwaarts. Ik pak de verrekijker en zie hoe ze de boot weten om te keren. Het jongetje klimt erin en schept het water eruit. Dan klimt de vader er ook in en roeien ze beiden naar de oever. Ik hoop dat ze iets verkocht en niet gekocht hadden.

De volgende ochtend is het al vroeg druk langs en aan boord. Onze boot is het stukje niemandsland tussen de moderne en de traditionele wereld geworden. Woudbewoners bieden hun bosproducten aan. Als een marktvrouw op onze boot er snel bij wil zijn, gooit ze een doekje of een propje papiergeld op het bosproduct in de prauw. Uiteraard ontstaat er daarna veel discussie, zo hoort dat hier.

Ik maak een rondje over de boot en probeer iedereen te groeten of aan te spreken. Het is druk. De bemanningsleden en hun vrouwen ken ik inmiddels en zij praten voluit. Hun Frans is zwak en mijn Lingala – eufemistisch gesteld – ook. Veel riverains kijken nors voor zich uit als ik langsloop. ‘Mundèle’ (blanke) en ‘Chinois’ hoor ik ze zeggen. Kleine kinderen zijn bang van me, de wat grotere strijken over mijn huid. Dit heb ik al vaker meegemaakt. Ze willen weten of ik afgeef zoals ook de witte mannen die gisteren de zakken meel uit het ruim haalden.

Ik passeer een eetstalletje met beignets (oliebollen) en volksvoedsel nummer één in Congo: chikwangwe (in blad gewikkelde maniokpasta). Het overgrote deel van de producten die de oeverbewoners verkopen, is vis. Ofwel gerookt: zwart en op elkaar geperst in een plat mandje van riet. Ofwel gedroogd en gezouten en dan liggen ze opengesneden in rijtjes op een stuk karton. Ofwel vers en dan kronkelen ze op het dek of in een plastic bak. Veel soorten grondvis, meervallen, met hun platte kop met dikke snorharen. Ze leven op de bodem van de rivier. Als de vissers ’s avonds hun koplamp opdoen, komen ze naar het wateroppervlak en worden ze gevangen. Ook zie ik gerookte slang en rat, een levende palingachtige riviervis (1 m, 15 €) en de beschermde rode halsbandparkieten (niet om te eten maar als huisdier). Ook illegaal waarschijnlijk is de schildpad die aan een touwtje door zijn schild vastzit. Hij was vrij groot en had ‘lekker mals vlees’. Een paartje visarenden vliegt laag over, ‘kri kri kri’. Aangelokt door al dat lekkers op ons dek?

Na 8 dagen en nachten varen naderen we Mbandaka. Op de oever meer en grotere huizen, golfplaten daken, een auto, nog een auto. Hier leggen we twee dagen aan om te laden en vooral te lossen. Rolands kamer is hier al een keer ’s nachts opengebroken, en ikzelf  heb niet eens een slot aan de binnenkant van mijn hut. Met wat bricoleerwerk werd een slot in mijn verwrongen metalen deur gezet. Met veel trek- en duwwerk kan ik nu van binnen afsluiten. Het geeft een veiliger gevoel.

Mbandaka was vorig jaar in het nieuws omdat er vlakbij ebola uitgebroken was. Had dat deze miljoenenstad – zonder enige infrastructuur bereikt – dan was het een humanitaire ramp geworden. Het gebeurde niet. Enige weken later barstte de epidemie in het onrustige Oost-Congo uit en hier zijn al veel slachtoffers gevallen. De medische hulp is daar zelfs tijdelijk stopgezet moeten worden vanwege aanvallen van rebellen.

De stad lijkt meer een groot dorp. Er staan enkele grote gebouwen maar die zijn vervallen. De bomen groeien door het dak. Het tekent de kracht van het oerwoud. Voor het woud loopt de klok vooruit, voor de gebouwen achteruit. Er zijn ook nog wat stenen gebouwen in functie, met de Congolese vlag ervoor. Dit zijn de overheidsdiensten. Midden in de stad een klooster met een vers gemaaid gazon. Een kerkje staat ernaast. Het is druk in de stad, overal lopen mensen met spullen rond. Er liggen veel boten aangemeerd. Het is de enige ontmoetingsplek tussen het diepe woud en de rivier met toegang tot Kinshasa. Mbandaka ligt op de evenaar en was hoofdstad van de Evenaarsprovincie, maar dat laatste is met de nieuwe indeling verloren gegaan. Ook de UN-vredesmacht is vertrokken. Sindsdien overheerst armoede en verval. Er is geen elektriciteit of stromend water.

Wij meren bij de Bralima-haven aan. Twee duwbakken worden losgekoppeld, en een duwbak en de duwboot gaan er parallel naast liggen. Vanaf een prauw filmt Dareck moedig aan alle kanten. Ik word door Roland gewaarschuwd met filmen op te houden omdat de autoriteiten op de kade het water al in de mond loopt. En hij moet ze dan op andere gedachten brengen. De bemanning neemt een knip en scheerbeurt bij de kapper die aan boord geklommen is. Brood, vis en groente worden ingeslagen. Even later kwam de Immigratiedienst bij me aankloppen. Hoe ik de reis vond, of ik Mbandaka mooi vond, en dat ze mijn paspoort nodig hadden om mijn veiligheid te garanderen. Ik heb me voorgenomen om me nergens mee te bemoeien. De kapitein gaat mijn papierzaken regelen. Ik wacht af.

Roland had meteen al 20 dollar betaald om de zaak te smeren. Mijn paspoort was dan ook OK. Helaas had ik echter geen feuille de route: een bewijs dat ik op een goederenboot mee mag reizen. Dat hoeft niet, zei ik (net als altijd bij de douane) want ik werk niet, ik ben gepensioneerd. Ja, dat had hij aan mijn geboortedatum gezien, maar desondanks … Ik werd er zenuwachtig van maar Roland bleef nuchter en bleef koetjes en kalfjes uitwisselen. Na de belofte van een gemeenschappelijk pilsje vanavond, ging de immigratieofficier weer. Nu de andere autoriteiten nog.

Met een aantal wiskundige manoeuvres moest de duwboot onze 3 bakken een voor een aan de kade leggen. Geen enkele bak mag los komen te liggen want dan drijft hij weg. De werkers leggen daarna planken tussen boot en kade. De langere werkers staan op een rij kratjes en pakken de bovenste eraf. Die geven ze naar beneden. Daar worden ze doorgegeven en over de plank gegleden. De plank is al helemaal glad geschuurd. Op de kade worden ze op pellets gestapeld en die worden met de heftruck naar de kant gereden. Af en toe komt een vrachtwagen deze pellets ophalen. Het was gelukkig niet warm. Wel kwamen de werkers bij mij klagen dat ze honger hadden. “Dan moet je meer eten.” “Geen geld” (ik ken dat van het park). “Dan moet je naar je baas.” Onbegrijpelijk staren ze me dan aan. Hoezo? Ik ben toch een baas met geld, ik ben toch blank! “Het is meneer Heineken”, zei toen ook nog een bemanningslid.

’s Avonds bleek het slot niet te werken en maakte ik de deur dicht door de klink met mijn kettingslot aan de hometrainer vast te maken. Eigenlijk overbodig want er zat een wacht vlakbij die de hele nacht de radio keihard aan had staan. Een stuk melodieuzer dan de brullende motoren van de afgelopen dagen, dat wel.

De volgende ochtend ligt een boomstamboot naast ons in de haven. Bovenop de gigantische stammen veel vrouwen en kinderen. Ze hebben stokken tussen de stammen geduwd en muskietennetjes opgehangen. Eén heeft zelfs een tentje op de stammen gezet. Of het lekker slaapt, weet ik niet. Op onze boot zijn de werkers alweer druk bezig kratjes over de gladde planken naar de kade te schuiven. Ze hebben veiligheidskleding aan en helmen met een scherm voor het gezicht op. Dit om gezeur met de arbeidsinspectie te voorkomen. Het lijkt me erg heet. Later zie ik dat ze weer hun gebruikelijke kloffie aan hebben. Vandaag zullen de laatste van de 15.000 kratten Primus, Cola, Fanta en Turbo King (een donker en sterker bier) gelost worden. Uit het ruim komen dozen export-Heineken voor de rijkere consument. Marktvouwen verzamelen zich op de boot. Uit het ruim komen nu ook andere artikelen als zakken meel, matrassen, planken, en dozen Made in Taiwan. De vrouwen gillen hun aanwijzingen naar de sjouwers.

foto Mbandaka

Dareck, Roland en ik gingen boodschappen doen. Ondanks de schaduw van de oerwoudbomen was het drukkend heet. De hoofdstraat is modderig. Aan weerszijden stalletjes met wat verse groenten, zeep en cosmetica, traditionele medicijnen (zoals krokodillen- en adelaarsschedels), rupsen, oerwoudvruchten, varkenskoppen vol vliegen, en levende geiten. Er waren Chinese en Indische winkeltjes. Hun veelal elektronische producten (in een stad zonder elektriciteit) stonden achter glas. Jongemannen dromden voor de vitrines en bediscussieerden de prijzen. Onbetaalbaar voor hen, denk ik. Wijzelf hielden het bij tomaten, uien, komkommer, mango’s en brood, alles vers. Op de terugweg had ik veel last van mijn heup en nam ik een fietstaxi (0,30 € voor ongeveer 1 km). De fiets had een fel gekleurd kussentje op de bagagedrager, slechts één volledige trapper, en de rem bestond uit het schuiven met de slippers over het zand.

Thuis kwam het bericht dat het evenement op de Nederlandse ambassade waarop onze film gedraaid zou worden van de 14de december naar januari verplaatst is. Misschien door de berichten van onlusten bij de verkiezingen, ik weet het niet. Het komt me ineens slecht uit, en Dareck ook. Allebei wilden we rond half december terug zijn in Kinshasa. Hij zal wel terugvliegen. Ik weet het nog niet. Ik laat het even afhangen van mijn gezondheid. Vanaf dat ik naast de scheepsmotor slaap, hoest ik. Dit wordt steeds erger. Het is de zwarte rook die uit de uitlaat komt, denk ik. Roland vindt het uitstel wel fijn zo. Geen stress met het halen van vluchten, die dan al dan niet geannuleerd worden, en niet als nood een busrit van Bumba naar Kisangani (nauwelijks een begaanbare weg, vele riviertjes zonder brug, minimaal 4 dagen). Van het vliegtuig kun je minder op aan dan op onze boot, dus Roland raadde me aan gewoon op de boot te blijven. Bovendien kun je beter op de boot zitten dan dagenlang in je eentje in een klein Congolees stadje wachten. Ik ga voorlopig voor Kisangani en dus ook voor de aankoop van opgezette dieren voor ons park.