We zijn nu 6 dagen onderweg. De heuvels aan weerskanten zijn verdwenen. We varen langs de Kinshasa-Congolese oever. Het is moerassig met enkele hoge bomen. Aan de rand van het water op palen staande schamele hutjes van stro. Vele zijn vervallen of deels door de stroom meegevoerd. Kleine kinderen in sleetse kleren staren voor zich uit op het platformpje voor de hut. Naast hen een houten rek waar kleine visjes te drogen hangen. Mannen en vrouwen pakken de prauw om naar ons toe te varen. Ze hebben dikke bovenarmen van het roeien. Hun kleren zijn gescheurd en hebben de koffiekleur van de rivier aangenomen. Ik zie hen met niets aankomen en ook met niets weer vertrekken.

foto oerwoud

Alleen al aan de Congo-Kinshasakant zitten onder deze moerassen dikke veenlagen die evenveel CO2 bevatten als de totale mondiale CO2-uitstoot in 3 jaar. De CO2 zit vast in de ondergrondse afgestorven vegetatie die door zuurstofgebrek niet gecomposteerd is. Net zoals bij houtskool (die ondergronds en dus zuurstofarm verbrand wordt) is de energiewaarde bewaard gebleven. Als de veengebieden ontgonnen worden, komt er O2 bij en barst deze ‘koolstofbom’, met een funeste invloed op ons klimaat natuurlijk. En met de snel groeiende bevolking van Congo is ontginning niet tegen te houden.

Aan de Congo-Brazzavillekant van de rivier loopt dit ongerepte moeras helemaal tot aan Kameroen. In zijn hilarische boek Congo zocht Redmond O’Hanlon hier de laatste dinosauriër (althans de ongevleugelde; we weten inmiddels dat alle vogels feitelijk dinosauriërs zijn). Volgens de lokale legende zou een zeer groot dier met een lange nek (vgl. Loch Ness) zich in het moeras ophouden. Een tocht vol ontberingen volgde maar hij vond hem niet.

Onze queeste, geen dinosauriër maar het terugbrengen van een andere lokale legende naar Lisala, verloopt na de eerste onrustige dagen prima. Vanmiddag wilde Roland zijn optreden voor de bemanning uittesten. Maar het werd grijs, een tegenwind stak op, er kwamen golven aan, en het begon keihard te regenen. Weer was ik toevallig aan het hometrainen (lekker koel) en weer begon de boot te zeer te schommelen om dat voort te zetten. De regen sloeg bij me naar binnen. De kapitein zette de motor in een lage stand, ik dacht om op de plaats te blijven en zo niet onverhoeds op een zandbank te stuiten. Maar ik voelde een schok en de kapitein bleek het konvooi bewust op een begroeide zandbank vastgezet te hebben. Om niet op hol te slaan, denk ik nu. Een uurtje later trok hij hem er uit. Ondanks de regen, bliksemschichten en donderslagen voeren we verder. Toch kwamen er prauwen naar ons toe. Doorweekt verkochten de vrouwtjes welgeteld één vis, een paar keiharde mango’s of wat maniokblaadjes.

De volgende dag begint het tropische regenwoud. Aan beide oevers en op de eilanden steken woudreuzen tegen de hemel af, ik denk tot 40-50 m hoog. De kapokboom met zijn plooiwortels, de wurgvijg die zich om andere bomen heen windt. Daaronder de oliepalm, de mangoboom en talloze kleinere bomen, soms een kluitje bananenbomen, en daar weer onder het dichte struikgewas. Aan de oever wordt het woud afgewisseld met papyrusvelden. Steeds meer strooien hutjes op palen. Weinig vogels, alleen enkele zwarte wouwen die onze boot volgen. Ze hopen stukjes vis mee te pikken. Als dat er een lukt, volgt in de lucht een gevecht om het stukje. Tegen de avond verschenen er duizenden zwaluwen boven de rivier. Aan de oever zag ik tweemaal een palmgier met zijn witte vleugels, en twee biddende ijsvogeltjes.

In het regenwoud regent het vrijwel dagelijks. Deze regen heeft geen vochtige wind van boven zee nodig. De enorme hoeveelheden waterdamp komen uit de overvloedige vegetatie van het woud zelf. Het is een korte cyclus van water opnemen voor de groei, water verdampen in de hitte, condensatie tot waterdruppels in de koelere luchtlagen, regen, wateropname, enzovoort. Het is er ook nog eens erg koud bij vandaag. Bij de dagelijkse late lunch warmde ik me aan de houtskoolstoof. Daarna bleef ik in mijn hut. De hutjes aan de beide oevers zien er door de regenwaas troosteloos uit. Een enkeling zit voor de deuropening naar de druppels te staren. De rook komt nu door het dak; er wordt binnen gekookt.

Het Congobassin is na het Amazonewoud het grootste aaneengesloten oerwoud ter wereld. Het is een van beide ‘longen’ van de wereld en een van de 35 biodiversiteitshotspots (en in die zin beschermd). Het is een belangrijke CO2-buffer en gaat zo klimaatverandering tegen. Er leven diersoorten die nergens anders ter wereld voorkomen zoals de okapi en onze naaste verwant, de bonobo. Maar beide zijn intussen ernstig bedreigd. Ondanks de beschermde status verdwijnt het woud door de illegale ontbossing door industriële houtkap en voor de uitbreiding van landbouw- en veeteeltgrond, door verstedelijking, houtskoolproductie, stroperij, en mijnbouw. Dat is zonde want het regenwoud is tevens de supermarkt van de bewoners hier. Als leverancier van wild, medicijnen, rupsen, vruchten, brandhout, houtskool, en prauwen… de auto van de riverain komt uit het bos en zijn snelweg loopt over het water tussen de bossen.

Er meren steeds meer prauwen aan, nu met nieuwe producten als bakbanaan en zoete aardappel. Na gedane zaken varen ze parallel aan onze boot voorbij, achter de boot maken ze vaart door haaks op de straalstroom van de boot te manoeuvreren, en daarna roeien ze met de stroming mee richting land. Ik koop (krijg eigenlijk van mijn buren) mijn ontbijt: een harde mango (die je als een appel kunt eten), een droog broodje (met mijn laatste restje Nederlandse kaas) en het lekkerste drankje ter wereld: verse palmwijn. Ik drink slechts een beetje om niet al meteen ’s ochtends KO te gaan.

De palmwijn wordt boven uit de stam getapt. De tapper klimt met een band om zijn lichaam en de gesegmenteerde stam omhoog, snijdt een jonge scheut los, en laat het licht gefermenteerde vocht in een kalebas druppelen. Vers is het heel verfrissend, zacht, en heeft het nog niet veel alcohol. In de middag is het wat meer gaan gisten, wordt het wat zuurder, en is het minder lekker. In het woud heb ja overal ‘barretjes’, strooien afdakjes waar vrouwen uit grote gele jerrycans, afgedekt met een prop blaadjes, palmwijn in kalebassen of plastic bekers schenken. Met de tijd en dus met het alcoholpercentage, stijgt de stemming daar. ’s Avonds in mijn hut drink ik de rest uit het plastic flesje, inderdaad wat wrang inmiddels. Rondom mijn lamp vermaken de vliegende mieren zich tijdens hun paarvlucht. Het gaat er ruig aan toe want de volgende ochtend ligt de hut vol vleugeltjes.

 

Advertisements

Na vier dagen zijn bij kilometer 220 aangekomen. Onderweg zijn de mensen in de nederzettingen het meest actief in de vroege ochtend. We varen langs een zestal hutjes van leem en stro. Van een ervan stonden alleen de muren overeind. Geld voor golfplaten is er duidelijk niet. In de groene muur van de oever is dit een egale lichtbruine vlek die eerder aan een stuk met dood bos doet denken dan aan een dorp. Alleen met mijn verrekijker kan ik de details zien. Er hangen enkele kledingstukken aan een lijn, allemaal even vaal. Een jonge vrouw staat bij een vuurtje, waar een pan op staat te koken. Een oud vrouwtje met een hoofddoek zit voor zich uit te kijken op een boomstam voor haar hut. Kinderen in fletse en gescheurde kleren rennen achter elkaar aan. Een vrouw met een ontbloot bovenlijf haalt een bak water uit de rivier. Een andere vrouw, in een kleurrijke paan, roept naar de kinderen. Ik zie maar één man. Hij staat half in het water en trekt een gezonken prauw naar zich toe. Ik zie geen stoelen of tafels, geen enkel huishoudelijk apparaat, geen speelgoed, en nauwelijks kookgerei.

We komen langs Sandy Beach, geen toeristenoord maar het eerste zandstrand langs de route. Het ligt ver weg. De rivier is breed aan het worden, ik schat zo’n 5 kilometer. Later zal dat nog oplopen tot 30 km. De stroming is afgenomen, dus de boot vaart sneller. Er komen ook steeds meer zandbanken in de rivier. Ze blijven nooit op dezelfde plaats liggen, wat het navigeren moeilijk maakt (en daardoor heeft een rivierkaart ook geen zin). Ze zijn begroeid met gras, papyrus, en een enkele boom. Daarin overnachten de zilverreigers. Ik had hier eigenlijk wel wat meer vogels verwacht. Maar behalve de zilverreigers zag ik alleen een Hadad-ibis en een zwarte wouw. Tegen de avond zie je de zwaluwen de insecten boven het water jagen. Onze boot moet ook tussen de zandbanken laveren maar omdat het hoog water is, is dat niet zo’n probleem. Bij laag water is de kans op vastlopen erg groot. Het begint dus eindelijk op te schieten.

Ik maakte mijn hut schoon. Mijn etenswaren liggen hermetisch afgesloten om de ratten, mieren en kakkerlakken niet op verkeerde ideeën te brengen. Mijn maaltijden zijn anders over de dag verdeeld dan thuis. Na het opstaan, zo ongeveer om 6 uur, drink ik lauwe koffie en eet ik een koek. Het hete water dat op de boot beschikbaar is, komt uit de rivier en vandaar dat ik mijn eigen lauwe drinkwater gebruik. Dan ontbijt ik rond 9 uur met lauwe koffie en toast met smeerkaas en pindakaas. Rond 14 u is bij Roland een warme maaltijd, door hem of mij bereide variaties van spaghetti met saus, met een lauwe Primus. Dat is tevens de laatste maaltijd van de dag. Door het gebrek aan fruit en groente, en de staat van het toilet, heb ik obstipatie gekregen. Nóg meer lauwe koffie drinken dan maar.

Aan de Brazzaville-kant woont vrijwel niemand meer, aan de Kinshasa-kant neemt het leven toe. De oevers komen steeds verder van elkaar te liggen, ik schat nu zeker 10 km, met steeds meer begroeide zandbanken. Daartussen de vissersprauwen. Heel af en toe staat er een strooien afdakje tussen het groen. Hier overnachten de vissers. Een aantal meert bij onze boot aan en laat zich meeslepen. Ze kopen of verkopen niets. Ze praten en lachen met elkaar. Vrouwen vlechten elkaars haar. Sommige prauwen schatten de snelheid van ons of van henzelf verkeerd in, en missen de boot. Gelach op onze boot, gevloek in de hunne. De volgende boot kan even duren want er vaart hier niet meer zoveel. Ik denk nog wel een baleinière over land te zien rijden, maar hij heeft gewoon een andere doorgang genomen. Enkele kleine boten zijn nog wel te zien, vaak niet meer dan vlotten met passagiers. Levensgevaarlijk, lijkt me. De boten zijn overladen, meestal met houtskool. Rond de dorpjes is geen boom meer te zien, wel rookpluimen waar het hout verkoold wordt. Al die houtskool gaat op gammele bootjes en krakkemikkige vrachtwagens naar Kinshasa. Elektrisch of op gas koken is onbetaalbaar voor de meesten. En zo gaat de ontbossing van Congo voort. Het is het een na grootste oerwoud ter wereld maar zelfs dat heeft zijn grens.

foto zandbanken

We komen bij het stadje Bolobo. Zo’n duizend kilometer naar het oosten ligt het Salonga nationaal park. In 1929 werd daar de bonobo ‘ontdekt’ en vanaf dit plaatsje zouden de eerste bonobo’s richting Europa verscheept zijn. Het dier werd eerst als een ondersoort van de chimpansee, de dwergchimpansee, beschouwd maar kreeg door zijn volstrekt andere gedrag al snel zijn status als aparte soort. Chimpansees en bonobo’s zijn geografisch gescheiden, met de brede Congo als grens (beide soorten kunnen niet zwemmen). De bonobo zou naar dit plaatsje genoemd zijn. Hier zie ik de eerste stenen huizen, een school en een kerkje sinds drie dagen. En … een satellietmast. Snel contact met de buitenwereld maken! Mislukt.

Na Bolobo verschijnen er steeds meer woudreuzen langs de kant. Ook bananen en palmbomen nemen toe. Het begint op oerwoud te lijken. De boten vervoeren geen makala meer. In Kinshasa is er – nog uit de tijd van Mobutu – een vaste prijs voor vastgesteld en het duurdere transport vanaf hier maakt de houtskool niet langer winstgevend. Ik filmde. Het leek of alle kinderen uit het stadje in de rivier aan het spetteren waren. Mannen en vrouwen – een stuk uit elkaar – wasten zich. Andere mannen boetten de visnetten en hoosden water uit de prauwen. Ineens zag ik op mijn cameraschermpje een prauw met militairen en de Congolese vlag aankomen. Snel wipte ik naar binnen. Vroeger liep je hier het risico op wilde bewapende stammen, nu op rustige bewapende autoriteiten, allebei onwenselijk.

De late namiddag is de fijnste tijd op de boot. Er is dan schaduw op het dek, de wind zet meestal wat aan, en de vrouwen toveren lekkere geurtjes uit hun kookpotten. Ik ga dan zitten lezen en rondkijken op het ijzeren bankje onder de stuurhut. Als het donker is, loop ik met mijn zaklamp over het glibberige randje naar Roland. Na een uurtje of zo loop ik weer naar mijn hut. Vanavond waaide het flink en moest ik me goed aan kratten en andere lading vasthouden. In de verte weerlichtte het. De schijnwerper van onze boot streek langs een duwboot met vijf duwbakken. In het licht dwarrelden motten en andere insecten. Een vleermuis nam een duikvlucht naar het wateroppervlak. Op de andere boot klonk luide soukousmuziek en er werd gelachen, bij ons heerste diepe rust.

We hebben nu 2 dagen en nachten door kunnen varen. Toen het vanochtend licht werd, ging ik buiten bij de opkomende zon wat lezen. Flarden waterdamp kringelden omhoog vanuit de heuvels in de verte. Zilverreigers vlogen laag over het water. Ze nestelden zich op een van de vele waterhyacinteilandjes om van daaruit te vissen. Menselijke vissers brachten een soort meerval aan boord. Naast mijn bankje lagen die nog even te kronkelen in een bak voordat een vrouw ze op kwam halen om ze te verwerken.

Aan de kant lagen vastgelopen duwbakken vol met mensen. Misschien zijn ze achtergelaten en wachten ze op hun duwboot. Het blijkt dat de stroming in dit ‘kanaal’ (breder dan de Waal trouwens)  zo sterk is, tot 8 km/u, dat de duwboten de bakken één voor één verder moeten duwen. Dat kost natuurlijk veel tijd. Als de rivier laag staat, moeten de opvarenden van een duwbak soms maanden wachten tot ze van een zandbank afgehaald kunnen worden. Hoe komen ze aan eten? En de sanitaire voorzieningen op onze boot kennend: hoe voorkomen ze ziekten? Volgens Roland zijn wij er vannacht nét in geslaagd om aanleggen te voorkomen. Wel heeft ons ruim water gemaakt. Het werd er vanochtend met een motorpompje uitgehaald.

Op beide oevers ligt heel af en toe een nederzetting. Ik weet vanuit het vliegtuig dat die alleen toegang tot de rivier hebben. Er zijn geen verbindende wegen richting binnenland. De langsvarende boten zijn hun enige bron van in- en verkoop. De verkoop is meestal makala (houtskool) en gedroogde vis. Onze boot houdt dan ook vaart in bij zo’n dorpje om de prauwen de tijd te geven om aan te meren. Iemand kwam een plastic fles met traditioneel medicijn verkopen. Het hielp tegen menstruatiepijn, koorts, hoofd-, rug- en buikpijn en was potentieverhogend. En dat allemaal in één bruine drab. Ik heb niet naar de prijs gevraagd.

Er begon een koude wind door de hut te blazen. Lekker bij het hometrainen in een bloedhete hut. De wind werd kouder en nam toe. De hometrainer begon te wiebelen. Ik keek naar buiten en … we gingen achteruit. Ik ging harder trappen maar dat hielp natuurlijk niet. De wind die normaal in de rug staat, was gekeerd. Flinke schuimkoppen verschenen op de normaal zo gladde rivier. We konden niet tegen de stroom en wind op. De kapitein besloot het konvooi vast te leggen in het gras en zand van de oever.

Na twee uur was de wind gaan liggen en vertrokken we weer. Het kanaal is hier erg diep (ik hoorde 150 m) en de stroming sterk. Bij het aanleggen op het vasteland waren de kratten op de voorste duwbak gaan schuiven en vallen. De bemanning was druk in de weer de stapels te herstellen. De oevers zijn nu rotsachtig en soms verschijnen er zelfs eilandjes in het kanaal. Aan de kant gele kruisen, het teken dat er een duwbak of baleinière gezonken is. Als we dicht bij de oever zijn, kijk ik met de verrekijker en film ik tussen de opgehangen was door. Om niet teveel de privacy te schenden maar vooral om straks in Mbandaka geen autoriteiten op mijn dak te krijgen.

Er zijn in totaal zo’n 20 mannen en 10 vrouwen aan boord. Enkele ken ik inmiddels van naam en functie. Mijn buurman Maflo, de mecanicien, heeft een heel jonge vrouw bij zich. “Niet mijn vrouw, nee, een familielid”. Ze komt nauwelijks buiten en staat de hele dag uit het raampje te kijken. Andere mannen hebben ook hun/een vrouw bij zich. De vrouwen doen het huishouden: langdurig koken, en kleren en de vaat wassen. Onderling worden de haren gevlochten en veel getut. Sommige mama’s hebben marktartikelen uit Kinshasa op een doek uitgespreid: zeep, waspoeder, tandpasta, lucifers, koekjes en friperie (tweedehands kleding). De langsvarende riverains (oeverbewoners) doen op deze mobiele markt hun inkopen. In de dorpjes zelf heb ik nog geen enkele markt gezien. Tot mijn verrassing zijn er ook ‘vrije vrouwen’ aan boord. Zij horen niet vast bij iemand maar verbinden zich kort aan mannen die daar behoefte aan hebben. Een ervan, Sarah, heeft mij al een paar keer schalks aangekeken. Ze is duidelijk geïnteresseerd in mij … of zou het mijn geld zijn?

foto draaikolk

Roland kwam waarschuwen dat we Ngobila naderden. Daarom voeren we ook zo ver van de Kinshasa-Congolese kust. Even verderop mondt een grote rivier, de Kasai, in de Congo uit. Daar verdubbelt de hoeveelheid water in het kanaal bijna. De rivier maakt een scherpe bocht naar links en meteen daarna naar rechts. Een gigantische draaikolk, Ngobila, is het gevolg, met meer dan 1 kilometer doorsnede en meer dan 200 m diepte. De legende gaat dat de schepen hier naar beneden gezogen worden om door een reuzenschildpad vermorzeld te worden. Onze kapitein pakte de buitenbocht van de kolk en meerderde aldus vaart. Ik zag het water op de rechteroever klotsen zoals een branding op het strand.

Rond 18 uur steekt de zon nog net zijn rode kopje achter de silhouetten van twee grote bomen uit. Het oerwoud komt er langzamerhand aan. De schemering is kort op de evenaar. Het was heet in mijn hut, ondanks de ventilator. Ik ging buiten op het dek zitten. De maan kroop vanaf de heuvels omhoog. Eerst rood, toen oranje en tot slot lichtgeel. Op de rivier de lampjes van de vissers. Sommige bodemvissen en kreeftjes worden door het licht naar het wateroppervlak aangetrokken. De schijnwerper van onze boot bestreek de oevers. Het was net een saaie natuurfilm die voorbij trok. Even verderop zat filmer Dareck te praten met het ‘familielid’ van Maflo … inderdaad niet zijn liefje maar zijn dochter. Ze heeft een baan in Lisala, verder stroomopwaarts, gevonden. In de stuurhut werd gekletst en muziek gedraaid, om wakker te blijven. Deze mannen zijn dag en nacht in de weer. Tussendoor doen ze kleine tukjes.

Ik liep naar Roland om samen een lauw pilsje te pakken. De terugtocht naar mijn hut is altijd link: pilsje op, met slippers over het smalle randje tussen de kratten en de snelstromende rivier, door olie- en zeepsopplasjes, zonder reling, en tweemaal van de ene op de andere duwbak klimmen. Gelukkig denk ik er altijd aan een zaklamp bij me te hebben. En vanavond lichtte de volle maan ook nog eens bij.

 

 

De boot is in Kinkole gerepareerd en rond 6 u vanochtend vertrokken we weer. Na twee dagen op de boot hebben we 20 km afgelegd. Ik rij dit regelmatig met de auto naar het dierenpark en dan kost het maar 2 uur. Ik wil niet uitrekenen hoe lang het met dit tempo duurt voor we de 1735 km naar Kisangani afgelegd hebben. Ik heb Monique, ver weg in een andere provincie, alvast een voorspoedig 2019 geappt.

Langs de kant de vele houtzagerijen. De boomstammen worden aaneen gebonden, er komt een hutje op, en het vlot drijft zelf vanuit het woud naar Kinshasa. Het laatste stukje wordt het door een sleepbootje de haven in getrokken. Veel hout wordt illegaal gekapt. De Wereldbank steunt Congo om de woudbewoners alternatieve inkomsten te laten vergaren (fruit, kleinvee, toerisme) maar het geld is verdwenen in de zakken van het Ministerie van Milieu. Sterker: hetzelfde ministerie deelt kapconcessies uit aan Chinese en Maleisische bedrijven, ten koste van het woud en zijn bewoners.

Ons konvooi van de duwboot en de drie duwbakken is 150 m lang. De boten zijn met verroeste kabels aan elkaar vastgemaakt. Die worden met grote draaiwielen aangetrokken. De duwbakken liggen 1,60 m onder water en ongeveer 0,50 m erboven. In de stuurhut hoor je de eentonige stem van de matroos met de peilstok helemaal vooraan: ‘water, meer dan 2 m’. Als de peilstok 1.60 aanwijst, dan moet de boot uitwijken. In totaal is er 700 ton lading aan boord waarvan 15.000 kratjes Primus, Cola, Fanta en Heineken bovendeks. Van de dorst omkomen zullen we niet. Benedendeks liggen de grondstoffen voor de brouwerij in Kisangani: suiker en malt.

foto kanaal

Op de oever zie ik het presidentiele dierenpark met het vliegtuig als restaurant langskomen. Rechts daarvan de staketsels van het presidentiele industriepark van Mobutu met de verschillende ingestorte aanlegsteigers. Mobutu was een dictator, net als de huidige democratisch gekozen president, maar in het begin had hij oog voor wat Congo te bieden had en waar de bevolking naar verlangde. Uiteindelijk verlangde hij alleen rijkdom voor zichzelf. Het vervallen complex wordt gedomineerd door een hoge blauwe paal, de ‘piemel van Mobutu’. Even later voeren we voorbij ons dierenpark. In de verte kon je gemakkelijk de zandweg ernaar toe onderscheiden, evenals het groene dak van de restaurant. Zelfs de vogelkooien waren zichtbaar. Ik liet het met de verrekijker aan Roland zien, en probeerde het zelf op film vast te leggen.

Filmen deed ik vanuit de stuurhut, beschermd tegen nieuwsgierige blikken. Vanuit de dorpjes komen namelijk allerlei prauwen aanvaren. Ze verkopen en kopen van onze scheepslui. Maar aan boord zit ook altijd wel een militair en/of veiligheidsagent en/of douanier (de Congo vormt de grens met Congo-Brazzaville) en die willen graag overtredingen zien. “Toon me dat je belasting over de diesel betaald hebt”. “Bewijs dat je niet uit Brazzaville komt.” “Heeft die blanke een filmvergunning?” En – overtreding of niet – je moet altijd geld geven, anders moet de boot weer aan de ketting. Roland toonde me later de vergunning om deze reis te filmen en fotograferen. Maar die staat alleen op zíjn naam. Dertig jaar geleden maakte ik een dergelijke tocht. We moesten een speciale vergunning hebben om door het diamantgebied rond Mbuji Mayi te reizen. Het duurde weken omdat we niet wilden schuiven (behalve wat sigaretten dan). De vergunning is daarna nooit gevraagd.

Prauwen met balen tweedehands kleding uit Europa haken aan. De kleding wordt door de scheepslui gekocht en in het oerwoud weer verkocht. Daarom loopt iedereen daar (maar ook in Kinshasa trouwens) met shirtjes met ‘Garage van der Beemt, Naarden’ of (het vaakst) ’10, Messi’. Soms hangen er zo’n tien prauwen aan de boten. Omdat we stroomopwaarts gaan, spaart dat diesel of spierkracht uit.

Er varen baleinières (grote van planken gemaakte boten) langs, vol met makala (houtskool) voor Kinshasa. In de wijde omtrek van Kinshasa is er daarom ook geen boom meer te vinden. Ook een schip vol genummerde boomstammen kwam voorbij. Even later waren we in Maluku waar vele houtzagerijen zijn. Het is ook de smokkelplaats van bushmeat (gestroopt wild) en het is de laatste halteplaats voor ‘het kanaal’ dat naar het dichte oerwoud voert. Langs de kant zie ik nog steeds veel bewoonde scheepswrakken. Waar je in de meeste landen van Afrika opbouw ziet, zie je hier slechts afbraak. Al deze schepen voeren ooit met passagiers en goederen over deze machtige rivier, nu roesten ze weg en zijn door niets vervangen.

De rivier werd onrustig, niet door de wind dit keer maar door draaikolken. Je herkent ze aan de opeenhoping van draaiende drijvende eilandjes van waterhyacint. Deze sierplant is ooit ingevoerd voor het vijvertje van een Belg maar het overwoekert sindsdien de rivier en verstopt stuwdammen en scheepsschroeven. Je hoort het aan de motor als er een hyacint in komt. De kapitein neemt daarna even gas terug. De kunst is om bij een draaikolk met de richting van de draai mee te gaan. Moise, onze kapitein, is ervaren, die kan dat wel. Hij heeft overigens geen kaart, geen kompas en geen GPS. Hij vaart puur op 20 jaar ervaring.

We gaan Le Channel binnen. De heuvels aan beide kanten komen steeds dichter bij elkaar en de stroom wordt daardoor sneller. Onze snelheid neemt af van zo’n 5 naar 4 km/u. Op sommige plaatsen steken nog stuurhutten van vergane schepen boven het water uit. De lading is al lang geplunderd. Ook zag ik een zeilbootje. Het was een prauw met een eenvoudig zeil. De wind waait tussen beide heuvelruggen altijd uit het zuiden, terwijl de stroming ook naar het zuiden is. Goedkoop reizen in beide richtingen dus.

Onder mijn hut komt het koelwater van de motor naar buiten. Ideaal voor de afwas. Ik moet er wel wat acrobatische toeren boven de rivier voor uithalen, maar het wast perfect. Douchen doe ik onder een kraantje met hetzelfde koelwater in het hurktoilet. Daar poept men ook, dus het is – eufemistisch gezegd – niet helemaal schoon. Het plassen gebeurt gewoon vanaf het dek.

Rond middernacht plaste ik in de rivier. De bijna volle maan verlichtte de heuvelruggen. Het licht weerkaatste in de eeuwig bewegende golfjes op het water, zodat het een niet goed afgestemde tv-zender leek. Ik zag de silhouetten van twee vrouwen op een bankje aan dek. Ze keuvelden gemoedelijk. De scheepsmotor stagneerde even en een bemanningslid schreeuwde naar de kapitein. Aan land slechts heel sporadisch een lampje of vuurtje.

 

 

Het is 20 november. We liggen stil in de haven van Kinshasa. De reparatie van de duwboot duurde natuurlijk langer dan voorzien. Niemand lijkt ook haast te maken. Er komen intussen ook steeds meer goederen en bijbehorende handelsvrouwen aan boord. Ik baal dat ik niet net als de Congolezen kan zijn. Rustig zitten, tutten, dutten, en af en toe een maniokstaaf eten. Ik wacht nu al zo lang dat ik geen geduld meer over heb.

De Grand Pousseur (Grote Duwer) Primus I gaat van Kinshasa (met in het westen de stroomversnellingen omlaag naar de oceaan) naar Kisangani (met in het oosten de stroomversnellingen omhoog de bergen van de grote Afrikaanse Slenk in). 1735 kilometer stroomopwaarts over vlak water, soms smal en soms zo breed als een meer. Het eerste stuk is heel breed (Stanley Pool of Malebo Pool). Hier verzamelt het water zich voordat het zich via stroomversnellingen en hoge watervallen omlaag stort richting de zeehaven Matadi. Onbevaarbaar dus. Daarom is eind 19de eeuw een spoorlijn aangelegd door de Belgen. Met springstof werden de rotsen weggeblazen. Dat gaf de stad zijn naam: Bula Matadi, in het Kikongo ‘hij die rotsen met de hand breekt’ (in werkelijkheid natuurlijk met dynamiet).

Rond 15 uur voeren we weer. Aan de ene kant Brazzaville met zijn moderne hoge gebouwen, aan de andere Kinshasa, ook met hoge gebouwen maar evenzeer met de vele hutjes en vervallen silo’s aan het water. We varen langs de scheiding tussen een Franse en Belgische kolonisatie. De scheiding tussen 50 jaar postkoloniale vooruitgang en 50 jaar stilstand. Overal zag je prauwen (uitgeholde boomstammen) met vissers. Ze gooien hun netten in een fraaie cirkel boven het water uit. Ik heb ze nog geen vis zien vangen.

Na het stadscentrum kwamen het grote Martelarenstadion, de ruim 150 m hoge échangeur (een megalomaan project van Mobutu waar nooit iets mee gedaan is) en het vliegveld aan ons voorbij. Ik hoopte voor het donker ons park te zien te krijgen maar dat was vergeefs. De boot gaat erg langzaam. Maar nog altijd sneller dan de auto naar ons dierenpark want die staat op deze route vooral in de file.

We waren Kinshasa nog niet uit of een flinke storm barstte los. Donkere lucht en harde wind. De zeiltjes tegen de zon fladderden wild en raakten los. Naast ons raakten de drijvende eilandjes en boomstammen op drift. De wind blies ze tegen de boten aan. Er was nog meer geschreeuw dan anders op de boten maar het werd grotendeels door de storm overstemd.

Ons konvooi kon niet tegen de golven in keren en werd naar de oever gedreven. De golven sloegen over het dek. De boot wiebelde en er spatte zelfs water in mijn hut. De duwbakken kwamen vast te zitten in de moerassige oever. De duwboot maakte moeilijke manoeuvres tegen de wind in om de duwbakken los te trekken. Gebeuk tegen golven en duwbakken. In mijn hut vielen dingen om. Het was eng. Maar – zoals Monique voor de reis opmerkte – als je het avontuur wil, dan krijg je het ook.

foto storm.png

De achtergrond van dit tafereel werd gevormd door donderslagen en bliksemschichten, vaak horizontaal of in de meeste hallucinerende vormen zoals bloemen en kerstbomen. Het bleef regenen. Na twee uur duwen en trekken, waren er twee duwbaken los. Die werden door de duwboot een eind verder gesleept. Met een sterke lichtbundel werden de oevers afgezocht naar een aanlegplek. Niet te los want dan worden de bakken door de stroom meegesleurd, en niet te vast want dan moeten ze er weer met veel moeite uitgetrokken worden. “Binda, binda!” (trekken, trekken) hoorde ik boven de storm uit.

Op de voorste boot, die nog vast zit, zit Roland met spaghetti met een vleessausje en een fles Primus op me te wachten. Ik zit op de duwboot en kan er dus niet naartoe. Toen we langszij lagen, waagde ik de overstap. Hij bood me een warm pilsje aan. Hij had geen stroom en dus ook niet gekookt. Gelukkig had ik al mayonaise met stukjes oud brood gegeten, restjes uit het appartement. Het lijkt zo ver weg al, ons appartement in centrum Kinshasa, maar het ligt hier vlakbij.

Ik zei hem: ‘het probleem is niet of we ooit in Kisangani aankomen, het probleem is of we ooit uit Kinshasa wegkomen’. Hij moest niet lachen. Hij zei dat we niet verder konden. In Kinkole moest de stormschade gerepareerd worden. Enkele bolders (stalen paaltjes waar het schip mee vastgelegd wordt) waren afgebroken en moesten opnieuw vast gelast worden. Ook zou de suiker en malt benedendeks waarschijnlijk nat geworden zijn, en moest dat minimaal herschikt worden. De natte zakken naar boven zodat ze droog bij de brouwerij in Kisangani afgeleverd kunnen worden. Roland vroeg ook nog of ik opnamen van de storm had. Ja. Mooi, ze pasten dan goed bij zijn legende. De film die Dareck maakt, omlijst namelijk het verhaal van Bangombe-stam dat Roland in Lisala gaat voordragen.

Alles had het regime van Joseph Kabila er aan gedaan om hun belangen veilig te stellen. Door een sterke kroonprins aan te stellen, Shadary, die als minister van Binnenlandse Zaken bewezen had lak aan het volk te hebben door hen bij demonstraties tegen de uitgestelde verkiezingen in 2016 en 2017 met echte kogels uit elkaar te jagen. Activisten en journalisten verdwenen of werden gevangen gezet.

Door de EU-ambassadeur ‘uit te nodigen’ het land te verlaten omdat hij geweigerd had Shadary (en anderen) te ontheffen van strafmaatregelen wegens het geweld tegen de demonstranten. Er werden geen buitenlandse verkiezingswaarnemers toegelaten. De katholieke kerk echter had hun volgelingen opgeroepen om in de 40.000 stemlokalen te controleren op zichtbare fraude.

Door de ebola-epidemie rond Beni en Butembo als smoes te gebruiken om in deze onrustige oppositiesteden de verkiezingen tot maart uit te stellen. Ongevaarlijk want de nieuwe president zou dan al lang ingehuldigd zijn. Op de verkiezingsdag (30 december) organiseerden de jongeren in deze steden echter perfect georganiseerde – maar uiteraard illegale – verkiezingen. Inclusief het meten van de lichaamstemperatuur voordat de kiezer het stemlokaal mocht betreden en het ontsmetten van hun handen en het touchscreen van de stemmachine.

Door 8000 stemmachines in dat andere oppositiesmaldeel, Kinshasa, door een ‘brand’ te laten verdwijnen. Enerzijds verplichtte dat de kiescommissie om het aantal stembureaus te verminderen zodat een heel aantal kiezers zichzelf niet op de stemlijst aantrof. Anderzijds gaven die 8000 machines potentieel een veelvoud aan fictieve stemmen aan Shadary weg. Ook werden reeds ingevulde stembiljetten gevonden, alle met nummer 13 (Shadary) als winnaar. De officiële kieslijsten bevatten ook 6 à 10 miljoen dubbele of fake namen. Van kleine kinderen tot soldaten, wellicht toevallig allemaal Shadary-stemmers?

Shadary mocht op radio en tv zijn praatje doen en per regeringsvliegtuig zijn rondje doen. Twee van de sterkste kandidaten mochten niet meedoen om juridische redenen. De andere oppositiekandidaten werden aan alle kanten geboycot. Waar er toch manifestaties van de oppositie waren, vielen er enkele doden door politiegeweld. In de Kasai, thuishaven van opposant Tshisekedi, werd in de stemlokalen geld gegeven om op Shadary te stemmen. In Bukavu werden 3 zakken met stembulletins waarop de naam Tshisekedi aangekruist was, uit een rivier gevist. In Shabunda waren na sluiting van de bureaus enkele verkiezingsagenten ijverig bezig de nog lege formulieren in te vullen.

Voor de zekerheid had de nationale kiescommissie – vooral in de steden, want daar is de oppositie sterk – veel stembureaus op ‘veilige’ plaatsen gezet: kazernes, politiebureaus en partijkantoren van de regeringspartij. Zwaar intimiderend natuurlijk en in overtreding met de kieswet.

En toch stonden miljoenen Congolezen urenlang in de regen in de rij om te mogen stemmen. Ze moesten wachten tot het bureau opende, tot de stemmachines aangesloten waren, tot de elektriciteit kwam, tot hun naam op de lijst gevonden was. Ze bleven rustig. Ongelooflijk. De zucht naar verandering was gigantisch. Slechter dan onder Kabila konden ze het immers niet krijgen.

Volgens de exitpolls had oppositiekandidaat Martin Fayulu verreweg de meeste stemmen gekregen. Volgens de tellingen van hun eigen waarnemers hadden ze 61% van de stemmen gekregen, volgens Human Rights Watch 47%, en de kerk gaf geen percentage maar wel Fayulu als winnaar aan.

Om dit soort informatie geheim te houden, legde de overheid de dag na de verkiezingen het internet plat. Maar op deze manier konden ook de uitslagen in het land niet naar de kiescommissie. Had die de reële uitslagen wellicht helemaal niet nodig om een overwinnaar uit te roepen?! Ook internationale radiostations als RFI werden platgelegd.

En toen? Toen duidelijk werd dat Shadary dermate impopulair was dat hij onmogelijk door de nationale kiescommissie als winnaar gepresenteerd kon worden, toen werd de uitslag uitgesteld. Het regime ging met de oppositie praten, niet met Fayulu want die is te onkreukbaar, maar met Tshisekedi. En blijkbaar kwamen ze tot een deal want Tshisekedi werd tot winnaar uitgeroepen (met 38% tegen Fayulu 34%). De inhoud van de deal is onbekend maar waarschijnlijk mocht Tshisekedi winnen als Kabila zijn immuniteit tegen strafvervolging (en dus zijn gigakapitaal) mocht houden. Ongetwijfeld is er ook een grote som geld over de tafel gegaan.

En de Congolezen? Her en der in het land vinden zowel feesten als protestmanifestaties plaats die met plunderingen en politiegeweld gepaard gaan. Maar de meeste Congolezen zijn niet verbaasd hoe het gegaan is. Politiek is het machtsspel aan de top met de grote sommen geld. En de gewone Congolees heeft geen geld en moet dus eerst aan de maaltijd van morgen denken.

 

Het is 19 november 11.30 uur en ik zit op de boot. Het probleem van de achterstallige belasting is nog niet opgelost helaas. Ik ben wel zonder kleerscheuren aan boord gekomen en moet me hier een beetje low profile ophouden. De Veiligheidsdienst heeft gehoord dat er een blanke meegaat en patrouilleert op de kade. André Kadima heeft wel mijn visum weten te verlengen gelukkig. Als dat tijdens de reis zou verlopen, kan ik het niet verlengen.

Voor mijn eigen veiligheid heb ik mijn geld en paspoort in mijn af te sluiten koffer, dat op zijn beurt met een kettingslot aan een ijzeren paal vastgemaakt is. De loodzware koffer moest trouwens over een uiterst gammele trap vanaf de kade omlaag gedragen worden. In mijn fantasie zag ik hem al in het water vallen. Alles kwijt.

De koffer werd verder over een aantal roestbakken naar een van onze duwbakken gedragen. Onze duwboot was nog afwezig (tanken of zo). Het was heet. Roland meldde dat de belasting niet opschoot. Ik deed maar een dutje op een matrasje. Gelukkig had ik veel water meegenomen. Ook at ik wat restanten die ik uit mijn koelkast meegenomen had.

Om ons heen liggen bootwrakken maar als je goed kijkt zijn ze allemaal bewoond. Sommige varen zelfs stukjes. De verroeste kraan op de kade blijft echter bewegingsloos. Vanaf het dek zag ik dat de politie op een andere boot jonge crimineeltjes aan het jagen was. Die komen in dit drijvende isle sans lois overnachten, na gedane zaken in de stad. Een meisje vluchtte via de in het water drijvende boomstammen maar ze kwam niet ver.

De boot was pas rond 16 u klaar maar ’s avonds mag niet langs Kinshasa gevaren worden. Dus blijven we vannacht hier in de haven, tussen het gespuis, slapen. In de avond werd het lekker koel. In de verte lag een vinexwijk, de Cité du Fleuve. Ik ben er ooit met mijn fietsje geweigerd (auto’s mochten wel doorrijden; het tegenovergestelde dus van onze woonerven).

vlcsnap-2018-12-31-16h08m22s929

De ratten liepen over het dek van de duwbak, de koereigers gingen hun slaapplek opzoeken, de vleermuizen namen slokjes van de rivier. In mijn kamer botsten de vliegende mieren tegen mijn computerscherm, kropen de wantsen over de muur en zoemden de muggen overal. Geen afnemende biodiversiteit hier dus.

De Grand Pousseur, de Grote Duwer, keerde terug. Mijn hut is zo’n 2 bij 3 m. Het staat vol met bed, koffers en hometrainer. Ik probeerde de gaten te deppen met chloor om de ratten af te schrikken. Maar ik veegde na het dagelijkse hometrainen per ongeluk het zweet van me af met mijn chloorhanden. Het brandde een tijdlang. Ik sliep onrustig.

De volgende dag om 5 u begonnen de machines te draaien in de ruimte naast mijn kamer. We vertrokken! Het water kolkte achter de duwboot omhoog. Wat opwelde, was een dikke zwarte stinkende drab: het afgevoerde vuil van deze miljoenenstad. Zoals gebruikelijk sprongen op het laatste moment nog mensen aan boord. Een voor een brachten we de drie duwbakken naar een plaats verderop in het riet (in feite aangekoekte drijvende eilanden van waterhyacint).

Het was al druk. Meerdere duwbakken wachtten op duwboten. Zo’n duwbak is een platte boot – zonder afrastering – waarop heel veel mensen zitten. Soms zijn van zeiltjes afdakjes gemaakt. Ze liggen allemaal rustig te wachten. Sommige jongetjes doken ingezeept in de rivier om zich af te spoelen.

Aan de oever lagen dikke rijen scheepswrakken. Ertussen allerlei bouwsels op palen, afgedekt met zeil of golfplaat. Zo vroeg in de ochtend waren mensen water uit de rivier aan het halen, hun tanden aan het poetsen, hun behoeften aan het doen. Zoals gebruikelijk werd er overal heftig gediscussieerd. Omdat ze de getallen in het Frans zeggen, weet je dat het altijd over geld gaat.

Na een paar minuten varen echter, bleek de motor een raar geluid te maken als hij boven een bepaald aantal toeren kwam. De koppelingsplaat leek versleten. De duwbakken werden achtergelaten en de duwboot keerde terug naar de haven. Daar werd de koppelingsplaat met die van de Primus 2 verwisseld. Het geratel is er nochtans niet minder op geworden. Nog steeds niet vertrokken dus.